ECLI:NL:RBZWB:2025:6976
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bewijsregel 30%-regeling wegens ontbreken ingekomen werknemer status
Belanghebbende emigreerde met haar kinderen op 2 augustus 2022 vanuit Turkije naar Nederland en sloot op 26 augustus 2022 een arbeidsovereenkomst met een Nederlandse werkgever. De inspecteur wees het verzoek om toepassing van de bewijsregel voor ingekomen werknemers af, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de arbeidsovereenkomst was gesloten voordat belanghebbende naar Nederland kwam.
Belanghebbende stelde dat er voorafgaand aan haar emigratie een mondelinge bindende arbeidsovereenkomst was gesloten, ondersteund door tekstberichten over contact met de werkgever. De inspecteur betoogde dat de tweede aanvraag om de bewijsregel onontvankelijk was wegens gebrek aan nieuwe feiten en dat de eerste aanvraag terecht was afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de bewijsregel slechts van toepassing is als de arbeidsovereenkomst is aangegaan terwijl de werknemer nog buiten Nederland woonde. Uit de tekstberichten bleek dat de werkgever nog een update van het CV wilde en een gesprek wilde plannen, wat geen bewijs is van een gesloten overeenkomst. Ook de stelling van belanghebbende dat zij anders niet was gekomen, was onvoldoende bewijs.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de afwijzing van de bewijsregel in stand. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat de arbeidsovereenkomst voor emigratie tot stand kwam.