Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[naam 1] ,
[naam 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen buren over de eigendom van een strook grond achter een betonnen schutting die sinds 1967 de percelen scheidt. [Partij 1] c.s. vorderen dat deze strook tot hun perceel behoort en dat [partij 2] deze ontruimt. [Partij 2] stelt zich op het standpunt dat hij door verjaring eigenaar is geworden.
De rechtbank stelt vast dat de kadastrale grens volgens een recente grensreconstructie en metingen uit 1977 niet samenvalt met de betonnen schutting, waardoor de strook formeel tot het perceel van [partij 1] c.s. behoort. Echter, de feitelijke situatie wijkt af doordat de rechtsvoorgangers van [partij 2] sinds 1985 onafgebroken, openbaar en ondubbelzinnig bezit hebben uitgeoefend, onder meer door het bouwen van een houtopslag en aanleg van riolering.
De rechtbank beoordeelt het verjaringsverweer aan de hand van het oude en nieuwe Burgerlijk Wetboek en concludeert dat de verjaringstermijn van tien jaar onder het nieuwe recht van toepassing is, waarbij de reeds verstreken bezitstijd onder het oude recht wordt meegerekend. De verjaring is daarmee in 1995 voltooid, waardoor het eigendom op [partij 2] is overgegaan.
De vorderingen van [partij 1] c.s. worden afgewezen en zij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Tevens wordt [partij 2] erkend als eigenaar en wordt [partij 1] c.s. veroordeeld tot medewerking aan de notariële vastlegging en kadastrale aanpassing van de eigendomsoverdracht, met een dwangsom en vervangende machtiging bij weigering.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van [partij 1] c.s. af en verklaart dat [partij 2] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond.