Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De feiten
3.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
4.Het geschil
5.De beoordeling
terugbetalen van een bedrag, heeft zij dat in haar berichten van 30 juni en 17 oktober 2023 wel aangegeven. Op 30 juni heeft zij geschreven:
“We zijn 2 jaar uit elkaar. En me nog helemaal niks terug betaald”en op 17 oktober: “
Heb je al gebeurd. Dat je mij al wat kan terug betalen”. Ook noemde [eiser] het bedrag ‘de € 23.000,00’ in haar bericht van 30 juni 2023 waar zij heeft geschreven
“Ja maar heb ook veel kosten gemaakt en de 23000 is ook van mijn spaargeld afgegaan”. Daarnaast heeft [gedaagde] in zijn Whatsappberichten geen enkele keer betwist dat hij iets moest betalen aan [eiser] . Zo reageerde [gedaagde] op de opmerking van [eiser] op 30 juni 2023
“Toen jij zonder zat heb ik je geholpen. Nu zit ik zonder. En je laat me zitten”met de opmerking
“Ik zou willen dat ik t kon”.In reactie op het bericht van [eiser] van 17 oktober 2023 waarin ze heeft gevraagd om terugbetaling, schrijft [gedaagde] “
Helaas nog nix [naam 2] ..pfff…sorry”. Ook uit diverse andere berichten van [gedaagde] blijkt dat hij van plan was te gaan betalen. Zo schreef hij op 30 mei 2023 in reactie op de vraag van [eiser] of hij al wat kon overmaken “
Hoop volgende maand ben er mee bezig […] Doe mun best pffff” en in zijn reacties op 26 juni 2023 op het verzoek van [eiser] om geld over te maken
“A
ls ik t heb wel maar heb t nog nie […] Ga ff kijken wat ik kan doen…”Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk dat [gedaagde] zich ervan bewust was dat hij nog een terugbetaalverplichting had aan [eiser] en ook wilde betalen, maar liet weten dat hij dat (nog) niet kon. [gedaagde] weerspreekt in zijn reacties op de berichten van [eiser] bovendien niet dat hij moet terugbetalen in verband met de verstrekte € 23.000,00. Daarbij komt dat [gedaagde] niet uitlegt op welke bedragen zijn toezeggingen dan wel betrekking hadden. Om deze redenen is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat de toezeggingen gingen over terugbetaling van ‘de 23000’, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.