ECLI:NL:RBZWB:2025:7039

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439144 / JE RK 25-1548
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling door ouderlijke conflicten

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. De kinderen groeien op in een fysiek en emotioneel onveilige omgeving door voortdurende conflicten tussen hun ouders. Ondanks inzet van vrijwillige hulpverlening is de situatie onvoldoende verbeterd.

De moeder verzet zich tegen het verzoek en stelt dat de ouders bereid zijn tot vrijwillige hulpverlening en dat de situatie verbetert. De vader erkent fouten uit het verleden en wil meewerken aan verbetering.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkelingsbedreiging ernstig is en niet adequaat kan worden weggenomen zonder gedwongen kader. Daarom wordt een ondertoezichtstelling voor zes maanden toegewezen, met een tussentijdse evaluatie en aanhouding van het resterende verzoek. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe bescherming te waarborgen.

Uitkomst: Ondertoezichtstelling van zes maanden toegewezen met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439144 / JE RK 25-1548
Datum uitspraak: 13 oktober 2025
Beschikking ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 26 augustus 2025 met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Hoewel juist en tijdig opgeroepen is er geen vertegenwoordiger van de GI verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het ingediende raadsrapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, omdat zij sinds hun geboorte voortdurend (dagelijks dan wel wekelijks) worden blootgesteld aan (de gevolgen van) conflicten en spanningen tussen hun ouders. Hierdoor groeien zij op in een structureel fysiek en emotioneel onveilige omgeving. De ouders bagatelliseren deze situatie en zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat om de bedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. Er is de afgelopen tijd al diverse hulpverlening ingezet, maar dit heeft er nog niet toe geleid dat de zorgen over de minderjarigen zijn afgenomen en het thuis voldoende veilig voor hen is. De ouders werken in eerste instantie wel mee aan de hulpverlening en de veiligheidsafspraken, maar dit stagneert na enige tijd en dan vallen de ouders weer terug in oude gedragspatronen. De Raad twijfelt daarnaast aan de bereidheid van de vader vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek. Nu het veel tijd kost om de patronen van de ouders te doorbreken en er veel doelen zijn waar op korte termijn stevig aan moet worden gewerkt, verzoekt de Raad [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering voor de duur van twaalf maanden. De Raad heeft specifiek deze GI verzocht, omdat de ouders en minderjarigen behoren tot hun doelgroep en zij eerder bij de ouders betrokken zijn geweest en de ouders toen profiteerden van hun sturing en begeleiding.
4.2.
De advocaat bepleit namens de moeder afwijzing van het verzoek. De zorgen die worden beschreven in het raadsrapport wegen niet op tegen de krachten die worden gezien en zijn daarom geen aanleiding om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Deze maatregel zal bovendien niets aan deze zorgen veranderen en dus geen toegevoegde waarde hebben. Daarbij komt dat de ouders inzien dat zij de situatie tussen hen in het belang van de minderjarigen moeten verbeteren. De ouders zijn bereid om daarvoor hulpverlening in het vrijwillig kader te accepteren en daarmee aan de slag te gaan, net zoals zij de afgelopen tijd steeds hebben gedaan. Het gaat inmiddels ook al een stuk beter tussen hen. Zij hebben nu afgesproken dat zij even weglopen als de spanningen tussen hen toenemen en willen graag nadere afspraken maken. De moeder vindt het belangrijk dat zij contact met de vader kan onderhouden voor de minderjarigen. De hulpverlening is daarover wisselend; enerzijds wordt aangegeven dat de ouders helemaal geen contact met elkaar mogen hebben en anderzijds wordt aangegeven dat het in het belang van de minderjarigen is dat de ouders contact met elkaar hebben. Desondanks werken de ouders goed mee aan de hulpverlening, zijn zij stuurbaar en staan zij open voor veiligheidsafspraken. Er zijn bovendien al instanties bij de ouders en de minderjarigen betrokken, terwijl het naar verwachting lang zal duren voordat er een vaste jeugdbeschermer bij de ouders betrokken kan raken. Vanwege al het voorgaande moet het verzoek tot ondertoezichtstelling worden afgewezen.
4.3.
De vader kan zich niet vinden in het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij ziet in dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt en wil er nu alles aan doen om de situatie in het belang van de minderjarigen te verbeteren. Daarom zet hij zich volledig in voor de hulpverlening in het vrijwillig kader. Het gaat inmiddels ook al een stuk beter tussen de ouders en met de vader persoonlijk. Desgevraagd benoemt de vader dat er recent een persoonlijkheidsonderzoek bij hem is afgenomen waaruit, in tegenstelling tot het eerdere persoonlijkheidsonderzoek, niet blijkt dat hij is belast met een verstandelijke beperking. De komende tijd zal de bij de vader betrokken hulpverlening kijken wat er nu moet gaan gebeuren. Dit vindt de vader positief. Hij wil graag verder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad deels toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van zes maanden, met ingang van 13 oktober 2025 en tot 13 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Op basis van de overgelegde stukken en het gesprek ter gelegenheid van de zitting is de kinderrechter met de Raad van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. De grootste zorg is dat de minderjarigen, die nog erg jong en kwetsbaar zijn en daardoor veel behoefte hebben aan en volledig afhankelijk van hun ouders zijn voor stabiliteit en veiligheid, al lange tijd opgroeien in een opvoedomgeving waarin hen dit onvoldoende wordt geboden. Dat komt met name doordat er al lange tijd voortdurend veel spanningen tussen de ouders zijn en conflicten tussen hen plaatsvinden, met fysieke en verbale agressie. Als gevolg daarvan groeien de minderjarigen op in een structureel fysiek en emotioneel onveilige omgeving en dat is erg zorgelijk. Ondanks dat beide ouders tijdens de zitting hebben aangegeven dat het inmiddels al een stuk beter tussen hen gaat, begrijpt de kinderrechter dat het – ook met de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader – tot op heden nog niet is gelukt om de gedragspatronen van de ouders duurzaam te doorbreken.
5.3.
Gelet daarop stelt de kinderrechter vast dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen op dit moment onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks dat de ouders de hulpverlening willen accepteren, lukt het hen tot op heden nog niet om zich daar langdurig voor in te zetten en van te profiteren en zich structureel aan de gemaakte veiligheidsafspraken te houden. Daarom vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er de komende tijd regievoering in het gedwongen kader voor de ouders en de minderjarigen wordt ingezet, om zo de belangen van de minderjarigen voorop te stellen en de benodigde hulpverlening in te zetten en te monitoren.
5.4.
Vanwege al het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De doelen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling in ieder geval moet worden gewerkt, zijn:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op binnen een veilige en stabiele opvoedingsomgeving, waarin regelmaat, rust en structuur wordt geboden en waar de opvoeders letterlijk en emotioneel beschikbaar zijn;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geen getuige van opnieuw heftige discussies of huiselijk geweld tussen ouders, waarbij het ouders niet lukt om dit op een constructieve manier bespreekbaar te maken. Ouders houden zich aan de gemaakte veiligheidsafspraken;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een situatie waarin wordt ingespeeld op hun ontwikkelingsbehoeften, zoals het bieden van ritme, voorspelbaarheid en structuur alsmede consequent handelen en sensitief en responsief ouderschap. Deze opvoedvaardigheden worden zo nodig vergroot en/of versterkt;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich leeftijdsadequaat;
  • Beide ouders hebben een positieve relatie met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij zijn voor de kinderen betrouwbare hechtingsfiguren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren blijvend stabiliteit en continuïteit in het contact met hun ouders;
  • Ouders belasten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet met volwassen zaken en respecteren elkaar als
opvoeder. Dit betekent o.a. dat zij geen negatieve uitlatingen doen over elkaar (in
het algemeen, maar zeker niet in het bijzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] );
  • Ouders richten zich op de toekomst en stellen het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop;
  • Er is een steunend netwerk, waarop ouders een beroep kunnen doen;
  • Ouders hebben inzicht en grip op hun emoties en deze emoties hebben zo min mogelijk een negatieve invloed op het contact met de andere ouder dan wel het beeld van de andere ouder.
5.5.
De kinderrechter ziet in de omstandigheid dat de ouders tijdens de zitting allebei hebben aangegeven dat het inmiddels beter gaat tussen hen en dat zij bereid zijn om de benodigde hulpverlening te accepteren en zich daarvoor in te zetten, aanleiding om het verzoek van de Raad vooralsnog gedeeltelijk toe te wijzen en voor het overige aan te houden. De kinderrechter acht het van belang dat er een tussentijdse evaluatie zal plaatsvinden, zodat het verloop van de ondertoezichtstelling kan worden gemonitord en de stand van zaken omtrent de hulpverlening kan worden besproken. De kinderrechter zal daarom als gezegd de ondertoezichtstelling verlenen met ingang van 13 oktober 2025 en tot 13 april 2026 en de beslissing op het overige verzochte aanhouden tot de datum van een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 13 april 2026. De GI dient de kinderrechter, (de advocaat van) de moeder, de vader en de Raad uiterlijk op 13 maart 2026 te informeren over de actuele stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling, de ontwikkelingen in de situatie en het verloop en de resultaten van de hulpverlening.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering voor de duur van zes maanden, met ingang van 13 oktober 2025 en tot 13 aril 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het overige aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling gelegen vóór 13 april 2026 en verzoekt de GI om uiterlijk op 13 maart 2026 via een briefrapport de kinderrechter, (de advocaat van) de moeder, de vader en de Raad te voorzien van de actuele stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling, de ontwikkelingen in de situatie en het verloop en de resultaten van de hulpverlening;
6.4.
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 17 oktober 2025.
(RdH)
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.