ECLI:NL:RBZWB:2025:7060

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/440641 / JE RK 25-1816
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorg- en contactregeling met begeleid contact wegens zorgen over veiligheid minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen. Dit volgt op signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de thuissituatie van de vader, geuit door een van de minderjarigen. De kinderen wonen bij de moeder en de ouders delen het ouderlijk gezag.

Eerder was een regeling vastgesteld waarbij de vader wekelijks contact had met de kinderen, maar vanwege de nieuwe zorgen acht de kinderrechter het noodzakelijk om dit contact voorlopig begeleid te laten plaatsvinden. Zowel de moeder als de vader erkennen de verstoorde verstandhouding tussen hen als kern van de problematiek.

De kinderrechter stelt dat de veiligheid van de kinderen voorop staat en dat observaties van de interactie in beide gezinssituaties moeten plaatsvinden om tot een normalisatie te komen. De gecertificeerde instelling krijgt regie over de begeleide omgang en zal binnen een week rapporteren over de gekozen begeleidingsorganisatie. De zaak wordt pro forma aangehouden voor vier maanden, waarna verdere stappen worden bepaald.

Uitkomst: De zorg- en contactregeling wordt gewijzigd in begeleid contact met regie door de gecertificeerde instelling, vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440641 / JE RK 25-1816
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 9 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van mr. Koop-van Vliet van 14 oktober 2025 met 4 producties.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met (telefonisch) zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 juni 2024 bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken iedere week gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar zoals is overwogen in rechtsoverweging 4.3 van die beschikking, waarbij partijen de intentie hebben om deze zorgregeling uit te breiden met behulp van [hulpverlening] .
‘4.3. De gemaakte afspraak houdt in dat de vrouw op vrijdagochtend [minderjarige 1] naar school brengt, waarbij de man aan de schoolpoort zal staan en ook meteen de overdracht van [minderjarige 2] plaats zal vinden. De man zal vervolgens samen met [minderjarige 2] op vrijdagmiddag [minderjarige 1] uit school ophalen. Besproken is dat dit op de fiets kan. De vrouw zal ervoor zorgen dat er een fietsje van [minderjarige 1] vrijdagochtend op school zal staan, zodat [minderjarige 1] uit school zelf kan fietsen en [minderjarige 2] achterop de fiets van de man kan. Uiteraard staat het de man vrij om [minderjarige 1] met de auto op te halen, waarbij een derde de auto dan bestuurt vanwege de omstandigheid dat de man geen rijbewijs heeft. De kinderen zijn dan bij de man tot zaterdag 18.00 uur. De vrouw haalt de kinderen op zaterdag 18.00 uur bij de man op, waarbij de overdracht van de kinderen plaats zal vinden door de moeder van de man.’
2.5.
Bij beschikking van 2 oktober 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toegewezen en de minderjarigen onder toezicht gesteld van 15 oktober 2025 tot 15 juli 2026.
2.6.
Bij voormelde beschikking van 9 oktober 2025 heeft de kinderrechter ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de beschikking van 7 juni 2024 gewijzigd, en heeft zij voorlopig voor de duur van twee weken (tot 23 oktober 2025) bepaald dat de vader en de minderjarigen recht hebben op begeleid contact met elkaar minimaal één keer per week, gedurende één uur, waarbij de GI regie voert over de eventuele uitbreiding van de contacten (in vorm (wel/niet begeleid), locatie, frequentie en duur).
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI voor het overige aangehouden. Dit teneinde de belanghebbenden eerst te kunnen horen op het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de door de kinderrechter op grond van artikel 1: 265g lid 1 BW de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, zoals vastgesteld bij beschikking van, naar de rechtbank begrijpt, 7 juni 2024, te wijzigen in die zin dat er minimaal 1 keer per week gedurende 1 uur begeleid contact tussen vader en de kinderen plaatsvindt, waarbij JBB is belast met de regie over de eventuele uitbreiding van de contacten (in vorm (wel/niet begeleid), locatie, frequentie en duur) en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij op 6 oktober 2025 signalen heeft ontvangen die wijzen op seksueel grensoverschrijdend gedrag in de thuissituatie bij de vader. Deze zorgen komen voort uit het gedrag van de kinderen en uit hun uitspraken. Meer specifiek heeft de GI hiertoe ter zitting desgevraagd verklaard dat zij die dag vernomen heeft dat [minderjarige 2] tegen haar moeder had gezegd dat ze met haar vader naar filmpjes moesten kijken, waarbij zij beiden hun onderbroeken uit moesten doen en in bed moesten gaan liggen. [minderjarige 2] gaf daarbij aan dat niet leuk te hebben gevonden.
De GI zegt niet dat dit voor waar moet worden aangenomen. Wel acht de GI het noodzakelijk dat onderzocht wordt wat maakt dat [minderjarige 2] zulke uitspraken doet.
De GI acht de zorgen dermate ernstig, dat het voortzetten van de zorg- en contactregeling, zoals bij beschikking van 7 juni 2024 is bepaald, niet in het belang van de minderjarigen kan worden geacht. De GI verwijst hierbij naar het rapport ondertoezichtstelling van de Raad.
Daarin is te lezen dat er reeds eerder veiligheidsafspraken zijn opgesteld vanwege zorgen over seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de broer van vader. De GI verzoekt om, in plaats van de huidige regeling, een regeling vast te stellen waarbij sprake is van begeleid contact tussen de vader en de kinderen, totdat meer duidelijkheid zal zijn verkregen over de aard en de ernst van de ontvangen signalen.
De GI verklaart dat er nog geen sprake is van een gedane aangifte tegen de vader.
4.2.
Door en/of namens de vader is aangevoerd dat de aantijgingen de vader zwaar vallen en het vanwege de ontstane situatie niet goed met hem gaat. Mr. Koop-van Vliet verwijst vervolgens naar de overgelegde rapportage van de Raad en de meest recente beschikking ondertoezichtstelling. Daaruit blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat die bedreigingen zouden zien op onveiligheid in beide opvoedsituaties. De uitspraken die [minderjarige 2] deed, dat zij door drie personen werd geslagen, zijnde de vader, de partner van de vader én de partner van de moeder achtte en acht de advocaat opmerkelijk. Ook bij de moeder heeft [minderjarige 2] weleens zorgelijke uitspraken gedaan die wijzen op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gezien deze en de bijkomende zorgen acht de advocaat het daarom (nog steeds) van groot belang dat daarnaar ten spoedigste nader onderzoek wordt gedaan. De advocaat pleit daarvoor de behandeling van het verzoek voor zeer korte duur, waarbij te denken valt aan een week, aan te houden. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling op een vraag van de kinderrechter geantwoord dat naar zijn visie de oorzaak van alle problemen die zich voordoen ligt in de verhouding tussen de ouders. Hij ziet een vorm van ouderschap waarin er vrijwel geen contact is tussen de ouders als de beste oplossing.
4.3.
Door en/of namens de moeder is aangevoerd dat tijdens de vorige zitting ondertoezichtstelling reeds naar voren is gebracht dat wordt betwist dat de partner van moeder [minderjarige 2] zou hebben geslagen. Gezien de overige zorgen die er toen waren, in samenhang met de bijgekomen zorgen, acht de moeder om duidelijkheid te verkrijgen nader onderzoek aangewezen. De moeder wil weten waar de zorgelijke uitspraken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vandaan komen. Naar de mening van de moeder verdient de bescherming van de kinderen alle aandacht. Dat alles zo zijnde verklaart de moeder het verzoek van de GI in het belang van de minderjarigen te ondersteunen. De moeder beaamt dat er nog geen aangifte is gedaan. Tot dusver is het gebleven bij een politiemelding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder op de vraag van de kinderrechter naar de kern van de problematiek geantwoord dat de oorzaak van de problemen ligt in de ernstig verstoorde verstandhouding van ouders. Een volledig solo-parallel-ouderschap, waarbij er zo min mogelijk contact is tussen ouders, zou helpend zijn.
4.4.
De Raad geeft aan dat in het raadsrapport van juli 2025 reeds te lezen valt over zorgen in de familielijn van de vader aangaande seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat er daarom extra aandacht moest zijn voor de seksuele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Ter zitting verneemt de Raad van de bijkomende zorgen. Naar de mening van de Raad dient bij dit soort aantijgingen de veiligheid van minderjarigen te allen tijde voorop te staan en kan van onbegeleide omgang geen sprake zijn. Eerst dient er meer onderzoek te komen.
De Raad ondersteunt daarom in het belang van de minderjarigen het verzoek van de GI.

5.De nadere beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt allereerst dat hem niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, die maken dat de spoedmachtiging zou moeten worden herroepen.
5.2.
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.3.
Ingevolge het tweede lid van artikel 1:265g BW kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.4.
De kinderrechter overweegt dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Hij neemt hierbij in aanmerking dat sinds de beschikking van 7 juni 2024 er in toenemende mate zorgen zijn ontstaan over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de thuissituatie van de vader. Deze toenemende zorgen maken een nieuwe afweging of de daarin opgenomen zorg- en contactregeling nog in het belang van de minderjarigen kan worden geacht noodzakelijk. Daarom is de GI ontvankelijk in haar verzoek.
De kinderrechter moet met alle betrokkenen constateren dat er hoe dan ook ernstige zorgen bestaan over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In het geval er daadwerkelijk sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader spreken deze zorgen voor zich. Maar ook indien er geen sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader is de situatie zorgelijk. Er waren zorgen over het gedrag van de kinderen, zowel in de opvoedsituatie van de vader als in de opvoedsituatie van de moeder. Al deze zorgen maken dat de bij beschikking van 7 juni 2024 vastgestelde zorg- en contactregeling voorlopig even niet in het belang van de minderjarigen kan worden geacht. Om de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen, acht de kinderrechter met de Raad begeleide omgangscontacten tussen de vader en de minderjarigen voorlopig noodzakelijk. Daar hoort wel een kanttekening bij: de ouders noemen desgevraagd ieder voor zich dat in hun uitermate slechte en beschadigde verstandhouding de kern van de problematiek ligt. Met name hun eenstemmigheid op dit punt vraagt dat daar bijzondere aandacht voor moet zijn van de GI. Kinderen kunnen onder en voortkomend uit deze omstandigheid bijzonder merkwaardige dingen gaan vertellen, vaak in het extreme, zonder dat de vertelde dingen feitelijk hebben plaats gevonden.
5.5.
Ter zitting is besproken hoe aan de begeleide omgangscontacten tussen de vader en de minderjarigen voorlopig het beste vorm kan worden gegeven. Juist ook vanwege hetgeen de kinderrechter onder 5.4. aan het slot heeft overwogen acht de kinderrechter het van belang dat er snel zicht komt op de wijze waarop de vader en de kinderen zich tot elkaar verhouden en hoe zij met elkaar omgaan. Daartoe is noodzakelijk dat de interactie in het gezin van de vader, bij hem thuis, zal worden gevolgd en beschreven. Het is wat de kinderrechter ook prima wanneer tevens de interactie tussen de moeder en de kinderen zal worden geobserveerd en gerapporteerd. Het doel van de observaties is om zo snel als mogelijk tot normalisatie van de ouder \ kind situatie te geraken in de beide systemen: dat van de moeder en dat van de vader. En daarbij mag aandacht zijn voor veiligheid en risico’s, maar ook voor de kwaliteiten van de ouders.
5.6.
Gebleken is dat de GI voor begeleide omgang op een neutrale locatie contact heeft gelegd met UMMA Zorg. Deze organisatie kan meteen starten. Ook een optie acht de GI de inzet van [stichting] . Die organisatie kan, juist gelet op de door de kinderrechter benoemde observaties in de gezinssituaties, gedurende vijf uren bij een ouder aanwezig zijn. De kinderrechter heeft aangedragen dat de inzet van mevrouw [persoon] van “Gezinsbegeleiding Breda” eveneens een optie zou kunnen zijn. Zij doet eveneens begeleide omgang in een thuissituatie en maakt daarvan verslag op.
5.7.
Met de GI is afgesproken dat zij de kinderrechter uiterlijk binnen één week, althans zo snel als mogelijk, zal berichten over welke organisatie de omgang tussen de vader en de minderjarigen gaat begeleiden. Ook wenst de kinderechter van de GI te vernemen welke termijn van aanhouding zij voorstaat, voordat over het verloop van de begeleide omgangen en / of ineracties tussen ouder(s) en kinderen kan worden gerapporteerd.
De GI, de belanghebbenden en de Raad hebben zich akkoord verklaard met een dergelijke opzet en aanhouding van de zaak.
5.7.
Teneinde de voortgang te kunnen blijven monitoren zal de kinderrechter het verzoek voor de duur van vier maanden pro forma aanhouden. De GI wordt verzocht om de kinderrechter tijdig voor afloop van deze termijn te berichten over de stand van zaken. De belanghebbenden zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop een reactie te geven en afhankelijk daarvan zal de zaak verder schriftelijk worden afgedaan of een zitting worden bepaald.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijzigt
voorlopigde beschikking van 7 juni 2024 ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat de vader en de minderjarigen
voorlopigrecht hebben op begeleid contact met elkaar op de wijze zoals hiervoor in rechtsoverweging 5..5. is beschreven, waarbij de GI regie voert over de eventuele uitbreiding van de contacten (in vorm (wel/niet begeleid), locatie, frequentie en duur); bepaalt hierbij dat de
GI binnen een week, althans zo spoedig als mogelijkaan de kinderrechter, de belanghebbenden en de raad zal laten weten welke persoon of organisatie de omgangsbegeleiding op zich zal nemen;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het verzoek voor het overige aan tot
20 januari 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de GI, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.7. is overwogen;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.