ECLI:NL:RBZWB:2025:7061
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en aanslag OZB gemeente Terneuzen
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1960 met een gebruiksoppervlakte van 106 m², gelegen op een perceel van 152 m². De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van deze woning per 1 januari 2022 vastgesteld op €193.000 en de aanslag OZB voor 2023 opgelegd. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde een lagere waarde van €169.000 voor, onder meer vanwege de onderhoudstoestand en het ontbreken van isolatie en dubbel glas.
De rechtbank toetst de vastgestelde waarde aan de hand van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, waarbij de waarde wordt bepaald op basis van de prijs die een meestbiedende koper zou betalen. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarde is gebaseerd op vergelijkingsmethodiek met drie referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en type voldoende vergelijkbaar zijn en recent zijn verkocht.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen. De stellingen van belanghebbende over waardedrukkende factoren zijn niet onderbouwd met objectiveerbare gegevens. Ook het argument dat de WOZ-waarde te sterk is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar wordt verworpen, omdat de WOZ-waarde per peildatum opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele feiten en omstandigheden.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijven de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten op 16 oktober 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €193.000 blijft gehandhaafd.