ECLI:NL:RBZWB:2025:7072

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/435066 / FA RK 25-2329
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezag en ontzegging omgang vader met minderjarige kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin de moeder verzocht het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en het gezag aan haar toe te kennen. Tevens verzocht zij om ontzegging van het omgangsrecht van de vader en om te bepalen dat artikel 1:377b lid 1 BW buiten toepassing blijft.

De feiten tonen aan dat de ouders niet in staat zijn gezamenlijk gezag uit te oefenen vanwege langdurige communicatieproblemen en het ontbreken van samenwerking, ondanks een ondertoezichtstelling. De vader heeft zich teruggetrokken en weigert toestemming te geven voor noodzakelijke behandelingen van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek van de moeder, evenals het kind zelf.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd en het gezag aan de moeder kan worden toegekend. Daarnaast wordt de omgang van de vader met het kind ontzegd voor de duur van één jaar vanwege het risico op onrust en het belang van het kind. Tevens wordt bepaald dat de moeder niet verplicht is de vader te informeren over gewichtige aangelegenheden van het kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het gezag wordt aan de moeder toegekend, de vader wordt ontzegd het omgangsrecht voor één jaar en artikel 1:377b lid 1 BW blijft buiten toepassing.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer: C/02/435066 / FA RK 25-2329
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande of elders,
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
Informant in deze procedure is:
DE WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Amsterdam,

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 8 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de F9-formulieren van de advocaat van de man van 13 mei 2025, 16 juni 2025 en 7 oktober 2025.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 7 oktober 2025. Bij die behandeling is verschenen de vrouw met haar advocaat. De vrouw werd tevens vergezeld door haar persoonlijk begeleidster, werkzaam bij [hulpverlening] . Ook waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI.
De man en zijn advocaat zijn niet verschenen. Middels voormelde brief van de advocaat hebben zij zich afgemeld voor de mondelinge behandeling.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 6 oktober 2025 een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de GI over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met kenmerk C/02/439335 / JE RK 25-1588. Daarom heeft de rechtbank de zaken gelijktijdig behandeld. De beslissing in de andere zaak in neergelegd in een afzonderlijke beschikking.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3.
Bij beschikking van 20 februari 2023 (kenmerk C/02/359919 FA RK 19-3135) heeft deze rechtbank bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, met inachtneming van hetgeen in die beschikking in rechtsoverweging 2.10 is bepaald over de opbouw naar deze regeling toe, in de vorm van stap 6 van het stappenplan, in samenspraak met en onder leiding van de GI uit te voeren.
2.4.
Bij beschikking van 30 oktober 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 4 november 2024 tot 4 november 2025.
2.5.
Bij beschikking van 30 oktober 2024 (kenmerk C/02/426895 / JE RK 24-1707) heeft de kinderrechter in deze rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat de contactregeling tussen de man en [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt geschorst.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat het gezag over dat kind voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
II. de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen en de zorgregeling als vastgesteld bij beschikking van, naar de rechtbank begrijpt, 20 februari 2023, op te heffen;
III. te bepalen dat artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) buiten toepassing blijft.
Kosten rechtens.

4.De standpunten

4.1.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de man via zijn advocaat heeft aangegeven dat hij geen gezamenlijk gezag meer wil en van mede-gezag af wil, alsook dat hij geen contact meer wenst met [minderjarige] . Sinds geruime tijd heeft de man ook al geen contact meer met de vrouw en met [minderjarige] . De vrouw leidt daaruit af dat de man nog steeds van het mede-gezag af wil en dat hij nog steeds geen contact met [minderjarige] wenst. Maar de man is daarin in het verleden ambivalent gebleken. Met het verzoek tot ontzegging van de omgang wil de vrouw dan ook het risico op een onverwachte confrontatie uitsluiten. [minderjarige] heeft behoefte aan rust. Om te voorkomen dat de man getriggerd wordt tot het zoeken van contact, verzoekt de vrouw tot slot haar te ontslaan van de verplichting de man van informatie over [minderjarige] te voorzien.
4.2.
De man heeft via zijn advocaat aangegeven dat hij het getouwtrek meer dan beu is.
Volgens de man heeft hij zijn best gedaan om enige rol van betekenis in het leven van zijn dochter te spelen, maar is dat hem helaas niet gegund. Naar de mening van de man is de weerstand daartoe aan de zijde van de vrouw te groot. Zelfs de ondertoezichtstelling heeft niet gemaakt dat [minderjarige] onbelast contact kan en mag hebben met haar vader.
De man weet dat de vrouw met [minderjarige] regelmatig voor vakantiereizen het buitenland bezoekt, maar de vrouw vraagt daar nooit toestemming voor. De man vraagt zich daarom hardop af wat zijn gezagsrol dan nog inhoudt. De man geeft zichzelf gewonnen. Tegen het verzoek van de vrouw verzet de man zich niet. Hij verklaart af te wachten totdat [minderjarige] zelf de stap zal nemen om met hem in contact te treden.

5.De beoordeling

WIJZIGING GEZAG
5.1.
Ingevolge artikel 1:253n van BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
5.2.
De rechtbank overweegt op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Duidelijk is dat er tussen de ouders al geruime tijd geen communicatie mogelijk is, en dat hulpverlening in het gedwongen kader daarin geen verandering heeft kunnen brengen. De rechtbank oordeelt dat dit relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen.
5.3.
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.4.
Uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na de samenwoning belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
5.5.
Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat partijen niet in staat zijn om beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijkheid te nemen. Ook binnen de ondertoezichtstelling is het niet gelukt om enige vorm van samenwerking tussen de ouders op gang te brengen. De man heeft zich uit het leven van [minderjarige] en de vrouw teruggetrokken en weigert toestemming te geven voor beslissingen die voor [minderjarige] genomen moeten worden. De GI heeft bevestigd dat de man weigert zijn toestemming te verlenen voor de EMDR-behandeling die [minderjarige] nodig heeft. Zoals uit het standpunt van de man blijkt komt deze weigering kennelijk voort uit frustratie door het ontbreken van contact met [minderjarige] . Maar daarmee laat de man zien dat hij zijn eigen belangen niet opzij weet te zetten voor de belangen van [minderjarige] . Voorzienbaar is dat het ontbreken van oudercommunicatie en een goede samenwerking ook in de toekomst tot problemen zal gaan leiden, zoals wanneer partijen de keuze moeten maken bij welke middelbare school [minderjarige] zal worden ingeschreven of wanneer de vrouw met [minderjarige] weer naar het buitenland zou willen gaan. Niet valt te verwachten dat zich in de communicatie tussen partijen binnen afzienbare tijd een significante verbetering zal gaan voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee voldaan aan de hiervoor onder b. genoemde grond voor wijziging van het gezag. De GI en de Raad hebben het verzoek in het belang van de minderjarige ondersteund. Ook [minderjarige] wil dat haar moeder voortaan de belangrijke beslissingen over haar kan nemen. Het verzoek van de vrouw om alleen te worden belast met het gezag over [minderjarige] zal daarom worden toegewezen.
ONTZEGGING OMGANG
5.6.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de omgang wijzigen, indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.7.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Gebleken is dat sinds de beschikking van 20 februari 2023 aan de in die beschikking opgenomen zorg- en contactregeling al geruime tijd geen invulling meer wordt gegeven. De rechtbank oordeelt dat dit een relevante wijziging van omstandigheden is, zodat de vrouw in haar verzoek kan worden ontvangen.
5.8.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het BW heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:377a stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van het derde lid van artikel 1:377a ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. Omgang ernstig nadeel kan opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9.
Hoewel de man op dit moment niet aandringt op omgang met [minderjarige] , acht de rechtbank niettemin voldoende grond aanwezig om de man de omgang met de minderjarige te ontzeggen. Zij overweegt hierbij dat door de GI naar voren is gebracht dat de man onvoorspelbaar en onberekenbaar is in zijn gedrag, waardoor niet uitgesloten is dat hij op enig moment onaangekondigd bij de vrouw voor de deur zal staan om [minderjarige] te zien. Dat zou voor [minderjarige] veel onrust met zich brengen, hetgeen niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht. Om deze reden steunen zowel de GI als de Raad de vrouw in haar verzoek. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] ook aangeven dat zij niet openstaat voor omgang en contact met haar vader. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de in artikel 1:377a BW onder sub c. en d. genoemde gronden voor ontzegging van de omgang. Ook dit verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat – gelet op de geldende jurisprudentie – aan de ontzegging van de omgang een duur wordt verbonden van één jaar.
INFORMATIE EN CONSULTATIE
5.10.
Ingevolge artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
5.11.
Ingevolge artikel 377b lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat lid 1 van dit artikel buiten toepassing blijft.
5.12.
Gelet op hetgeen door de GI naar voren is gebracht, is niet ondenkbeeldig dat informatieverstrekking vanuit de vrouw over [minderjarige] negatieve gevoelens oproept bij de man en dat hij in reactie daarop contact zal gaan zoeken met de vrouw. De onrust die dat veroorzaakt is niet in het belang van [minderjarige] . Ook dit verzoek van de vrouw, dat door de Raad wordt gesteund, zal daarom worden toegewezen.
PROCESKOSTEN
5.13.
Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
UITVOERBAAR BIJ VOORRAAD
5.14.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016 voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
6.2.
ontzegt de man – onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2023 (met zaaknummer C/02/359919 FA RK 19-3135) – met ingang van heden het recht op omgang met genoemde minderjarige voor de duur van één jaar;
6.3.
bepaalt dat artikel 1:377b lid 1 BW buiten toepassing blijft;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, rechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 oktober 2025 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.