ECLI:NL:RBZWB:2025:7100

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/435468 / FA RK 25-2528
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens onvermogen vader tot gezamenlijke gezagsuitoefening

Partijen hadden een relatie waaruit een minderjarige is geboren. De vader heeft de minderjarige erkend en samen oefenden zij het gezag uit, maar de minderjarige verblijft bij de moeder. De moeder verzoekt het gezag eenhoofdig aan haar toe te wijzen omdat de vader sinds de geboorte nauwelijks contact heeft gehad, niet bereikbaar is, en kampt met ernstige problemen zoals een drugsverslaving en detentie.

De vader erkent zijn verslaving en detentie en geeft aan momenteel niet in staat te zijn het gezag te delen, maar hoopt in de toekomst weer omgang te kunnen hebben. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de moeder in het belang van het kind.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat de vader door zijn problematiek niet in staat is gezamenlijk gezag uit te oefenen. Het verzoek wordt toegewezen, waarbij de mogelijkheid tot toekomstig contact tussen vader en kind open blijft. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het eenhoofdig gezag over de minderjarige wordt toegewezen aan de moeder vanwege gewijzigde omstandigheden en onvermogen van de vader tot gezamenlijke gezagsuitoefening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer: C/02/435468 / FA RK 25-2528
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
in de zaak van
[vrouw 1],
hierna: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. A. Huseinovic,
tegen
[vrouw 2] ,
hierna: de man,
met een postadres in [plaats] ,
maar op dit moment verblijvende in de [PI] ,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal,
over de minderjarig:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, hierna: [minderjarige] ,
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 16 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 29 september 2025 en 7 oktober 2025 ontvangen brieven van mr. Huseinovic,
beide met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 7 oktober 2025. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, beide met hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad, met een toehoorder.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij voortaan het eenhoofdig gezag zal uitoefenen over [minderjarige] .

4.De beoordeling

4.1.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat sinds de beëindiging van de relatie van partijen in januari 2024 zij alleen zorgdraagt voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Na de geboorte van [minderjarige] heeft de man [minderjarige] maar één keer gezien. Sindsdien niet meer. Ook anderszins is de man zijn verplichtingen als gezagsdragend ouder nimmer nagekomen. De man is niet bereikbaar, beschikt niet over een vast telefoonnummer of e-mailadres waardoor overleg over zaken, zoals over medische behandelingen, schoolkeuze of het aanvragen van een paspoort, onmogelijk is. Volgens de vrouw kampt de man met ernstige problemen die een betrokken rol in het leven van [minderjarige] feitelijk onmogelijk maken. Zo heeft de vrouw vernomen dat de man kampt met een drugsverslaving en dat hij niet over een vast woonadres beschikt. Daarbij stelt de vrouw dat zij meerdere aangiftes tegen de man heeft ingediend, zoals ten aanzien van (digitale) fraude, het zonder toestemming gebruik maken van het rijbewijs en de bankpas van de vrouw en dreigend gedrag, waaronder onverwachte bezoeken aan haar woning. Naar de mening van de vrouw laten al deze omstandigheden zien dat de man geen stabiele basis heeft om goed voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De man dient eerst aan zichzelf te werken.
De vrouw meent dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu partijen al geruime periode geen enkel contact meer met elkaar hebben. De vrouw verwacht niet dat hierin op korte termijn verandering zal komen.
Gezien de leeftijd van [minderjarige] en de mogelijke noodzaak tot het nemen van belangrijke beslissingen op het gebied van BSO, medische zorg of andere hulpverlening, acht de vrouw het noodzakelijk dat zij in het vervolg zelfstandig en snel kan handelen in het belang van [minderjarige] .
De vrouw benadrukt hierbij dat zij met haar verzoek niet de mogelijkheid tot contact tussen [minderjarige] en de vader in de toekomst wil uitsluiten. Omgang tussen de man en [minderjarige] staat voor de vrouw los van haar verzoek tot eenhoofdig gezag, maar moet dan wel veilig en verantwoord kunnen verlopen.
4.2.
De man is het niet eens met alle stellingen uit het verzoek van de vrouw. Zo wekt de vrouw de suggestie dat de relatie van partijen al over was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] , maar dat is niet zo. Volgens de man kampte hij ten tijde van de zwangerschap van de vrouw met een depressie en was hij daardoor niet bij de bevalling aanwezig. De relatie van partijen heeft na de geboorte van [minderjarige] nog zo’n drie maanden voortgeduurd. Ook onjuist acht de man dat de vrouw hem in het geheel niet zou kunnen bereiken. Volgens de man beschikt de vrouw over zowel zijn e-mailadres als zijn telefoonnummer.
De man erkent een drugsverslaving te hebben. Naar de mening van de man is hij als hij gebruikt een geheel ander mens. De man geraakt dan op het verkeerde pad. De reden dat het contact tussen hem en [minderjarige] in zijn geheel is gestopt, is volgens de man gelegen in zijn drugsgebruik.
Sinds juni 2025 verblijft de man in verband met vernieling in voorlopige hechtenis.
Via de SMO krijgt de man ambulante begeleiding. Hij hoopt aansluitend aan zijn detentie opgenomen te kunnen worden in een verslavingskliniek, en daarna een woning toegewezen te krijgen via Housing First. Meer duidelijkheid hierover zal volgen tijdens een strafzitting op 5 november aanstaande.
De man hecht eraan mee te geven dat de vrouw een goede moeder is. De man acht zich op dit moment echter niet in staat om mede het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Hij vindt het beter als de vrouw alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] zal kunnen nemen. De man ziet in dat hij eerst weer stabiel zal moeten zijn. De man hoopt dat hij in de toekomst wel weer omgang met [minderjarige] zal kunnen hebben.
4.3.
De Raad stelt vast dat de man zich op dit moment niet in staat acht om belangrijke beslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen. Naar de mening van de Raad zal de vrouw daarom onverminderd moeten kunnen handelen. Of de behandeling van de man voor zijn verslaving definitief helpende zal gaan zijn, zal pas op een veel later moment kunnen worden bezien. Dat zo zijnde acht de Raad het verzoek van de vrouw in het belang van [minderjarige] voor toewijzing gereed liggen. Naar de mening van de Raad zegt dit niets over de mogelijkheden voor omgang tussen de man en [minderjarige] op de lange termijn. De man zal dan moeten kunnen aantonen dat het contact tussen hem en [minderjarige] van stabiele aard zal zijn.
4.4.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
4.5.
De rechtbank overweegt op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Partijen hebben al geruime tijd geen enkel contact meer met elkaar. Ook is vanaf kort na de geboorte van [minderjarige] tot heden elk contact tussen [minderjarige] en de man uitgebleven. De rechtbank oordeelt dat dit relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen.
4.6.
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
4.7.
Uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na de samenwoning belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
Vanwege persoonlijke problematiek acht de rechtbank de man op dit moment echter niet in staat om gezamenlijk met de vrouw het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De man zit momenteel gedetineerd en kampt met verslaving. Ook na detentie heeft de man nog een weg te gaan om zijn leven weer op de rit te krijgen en voor langere duur stabiel te houden. Gebleken is dat hij dit zelf ook inziet en om die reden geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank is - met de Raad - van oordeel, dat het eenhoofdig gezag noodzakelijk is, zodat de vrouw te allen tijde kan handelen in het belang van [minderjarige] . Het verzoek van de vrouw om alleen te worden belast met het gezag over [minderjarige] zal daarom worden toegewezen. Aan deze beslissing doet niet af dat de man, als zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd, kan verzoeken opnieuw mede te worden belast met het gezag over [minderjarige] . Ook blijft met deze beslissing de mogelijkheid open voor contact tussen de man en [minderjarige] , voor zover dat op een veilige en verantwoorde manier kan plaatsvinden.
4.8
Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.