ECLI:NL:RBZWB:2025:7102

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439966 / JE RK 25-1691
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij pleeggezin en gezinshuis

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2012 en 2015, die sinds juni 2023 bij pleegouders verblijven. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin, alsmede om een nieuwe machtiging voor uithuisplaatsing in een gezinshuis.

De minderjarigen zijn getuige geweest van huiselijk geweld, wat heeft geleid tot gedragsproblemen en emotionele problemen die hun ontwikkeling ernstig bedreigen. De pleegouders ervaren overbelasting door de problematiek en de GI zoekt een passend gezinshuis, maar er is nog geen match gevonden. De moeder staat achter het verzoek, hoewel zij de communicatie met de GI en pleegouders als moeizaam ervaart.

De rechtbank oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden omdat de ontwikkelingsbedreiging voortduurt en vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. De machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin wordt verlengd en een nieuwe machtiging voor uithuisplaatsing in een gezinshuis wordt verleend voor de duur van een jaar. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en biedt ruimte voor hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing worden verlengd en een nieuwe machtiging voor uithuisplaatsing in een gezinshuis verleend voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439966 / JE RK 25-1691
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D.P.F. Arens te 's-Hertogenbosch,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[persoon],
in haar functie als medewerkster van [pleegzorg] ,
hierna te noemen: de pleegzorgbegeleidster.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 september 2025;
  • het stelbericht van mr. Arends van 26 september 2025;
  • het bericht van de GI van 2 oktober 2025, inhoudende een verzoek om verplaatsing van de zitting;
  • het bericht van de griffie van deze rechtbank van 7 oktober 2025, inhoudende een voorstel voor een nieuwe zittingsdatum;
  • het bericht van de GI van 8 oktober 2025, inhoudende dat de geplande zitting van 16 oktober 2025 kan blijven staan;
  • het bericht van de GI van 10 oktober 2025, betreffende de aanwezigheid van de pleegzorgbegeleidster bij de zitting;
  • het bericht van mr. Arends van 10 oktober 2025;
  • de brief van mr. Arends van 10 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegmoeder,
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de pleegzorgbegeleidster.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de pleegvader niet bij de zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter merkt hier op dat de pleegzorgbegeleidster op verzoek van de GI bij de zitting aanwezig is. Namens de moeder is vooraf te kennen geven dat hiertegen geen bezwaar bestaat. De kinderrechter merkt de pleegzorgbegeleidster in deze procedure aan als informant.
1.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hiervan hebben zij gebruik gemaakt op 3 oktober 2025. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader
heeft geen gezag en is niet in beeld.
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds juni 2023 bij de pleegouders.
2.3.
Bij beschikking van 24 oktober 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 oktober 2024 tot 24 oktober 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Tevens verzoekt de GI, zo begrijpt de kinderrechter bij de zitting, om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen en een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) te verlenen voor de duur van een jaar.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het verleden getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de stiefvader. Met name het gewelddadig incident tussen hen op de camping in Frankrijk heeft grote indruk op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gemaakt. Door de langdurige spanningen in huis en de constante kans op onveiligheid zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lange tijd constant alert geweest. Het ervaren van onveiligheid en stress heeft ertoe geleid dat zij moeite hebben met het reguleren van emoties, het op een juiste manier oplossen van problemen en impulsbeheersing. Bij beiden worden gedragsproblemen gezien. Zo heeft [minderjarige 1] last van woede-uitbarstingen waarbij hij gaat schreeuwen, gillen en huilen en laat hij fysieke agressie zien naar andere kinderen. [minderjarige 2] is slecht gehumeurd, huilt veel, plast regelmatig in bed en kan niet aangeven waarom zij verdrietig is. De emoties van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belemmeren hen in het pleeggezin, in contact met leeftijdsgenootjes en op school. [minderjarige 1] is sinds zijn schorsing van de BSO, naar aanleiding van een incident met een medewerker en het pijn doen van andere kinderen, niet meer naar school gegaan.
4.2.
De moeder en de stiefvader zijn inmiddels getrouwd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren het alsof de moeder voor de stiefvader heeft gekozen, in plaats van voor hen. Door wat er is gebeurd zijn zij bang voor de stiefvader. [minderjarige 1] heeft ook veel last van nachtmerries en herbelevingen over het incident in Frankrijk.
4.3.
De moeder is bekend met psychiatrische problematiek. Zij heeft intensieve therapie gevolgd bij GGZ. Er zijn zorgen over de wisselende (emotionele) toestemming van de moeder over de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin. Gezien wordt dat er sprake is van een verstoorde samenwerking tussen de moeder en pleegouders. Ondanks dat de moeder uitdraagt naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij wel achter deze plaatsing staat, merken zij de sfeer tussen de moeder en pleegouders op. Dit zorgt voor onrust, onzekerheid en kan ertoe leiden dat zij het gevoel hebben te moeten kiezen tussen de moeder en pleegouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op zoek naar duidelijkheid over waar zij op zullen groeien en hoe zij in de toekomst bij de moeder kunnen zijn.
4.4.
In dat kader maakt de GI zich zorgen over de toekomst, nu wordt bemerkt dat de draagkracht van de pleegouders afneemt. Inmiddels is bekend dat door de ontwikkelingen in het pleeggezin de situatie is veranderd. De pleegouders hebben de GI aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op korte termijn niet meer volledig kunnen dragen. Dit heeft ertoe geleid dat de GI op zoek is naar een passend gezinshuis. Op dit moment is er nog geen match gevonden. De hoop is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hetzelfde gezinshuis te kunnen plaatsen en zij naar hun eigen school en zorgboerderij kunnen gaan. In de tussentijd probeert de GI stuttend en steunend op te treden en zal hulpverlening worden ingeschakeld zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun verhaal kunnen doen en het pleeggezin als gezin kan blijven functioneren. Het GGZ-traject van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan, zolang zij geen duidelijkheid hebben over hun vervolgplaatsing, niet starten. De GI merkt hier nog op dat zij hinder ervaren van de gemeente die niet meewerkt aan het inzetten van passende zorg. Volgens de GI maakt dit de situatie (nog) ingewikkelder.

5.Het standpunt van belanghebbenden en informant

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat de moeder zich kan vinden in het verzoek. Schriftelijk, bij brief van 10 oktober 2025, heeft de moeder de kinderrechter bericht dat zij zich in de afgelopen periode niet gehoord en serieus genomen heeft gevoeld. Zo verloopt de communicatie met de GI en de pleegouders slecht. De moeder heeft vanaf het begin haar twijfels geuit over de draagkracht van het pleeggezin. Zij ervaart dat haar zorgen hierover niet serieus zijn genomen. Er is daarnaast geen goede samenwerking met het pleeggezin, al twijfelt zij niet aan de liefde en veiligheid die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboden wordt. De omgangsmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlopen goed. De moeder maakt zich zorgen over de toekomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nu niet bekend is waar zij gaan verblijven. De moeder betreurt het dat hierdoor ook het GGZ-traject stil is komen te liggen.
5.2.
De pleegmoeder verklaart, samengevat, als volgt. De problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun therapie vraagt veel van het pleeggezin. Gezien wordt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder anders omgaan met hun trauma en de verwerking daarvan. Hierin botsen zij soms. Ook de verwerking van de therapie brengt problemen met zich mee. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiten zich naar elkaar, maar ook naar de pleegouders en hun biologische zoon. Dit maakt dat een verblijf bij het pleeggezin, met name op de dagen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] therapie hebben, lastig. De pleegmoeder benadrukt wel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de weekenden bij het pleeggezin kunnen verblijven. Op dit moment is er geen hulpverlening betrokken, anders dan voor [minderjarige 1] de zorgboerderij en voor [minderjarige 2] een vertrouwenspersoon op school met wie zij eens in de twee weken spreekt.
5.3.
De pleegzorgbegeleidster vult hierop aan dat zij zich aansluit bij hetgeen de GI over de hulpverlening en de gemeente naar voren heeft gebracht. Dat systeem maakt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem zitten en hun problematiek forser wordt. In het pleeggezin gaat dat niet meer en dat is schrijnend.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Ondertoezichtstelling
6.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.6.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Beiden zijn getuige geweest van huiselijk geweld, ten gevolge waarvan zij problemen ervaren in hun emotieregulatie en zij gedragsproblemen vertonen. Vast is komen te staan dat zij niet zijn toegekomen aan de verwerking van hun trauma. Behandeling die nodig is voor de verwerking van hun trauma is gestagneerd door onduidelijkheid over waar zij in de toekomst gaan verblijven. Volgens de GI speelt ook de houding van en financiering door de gemeente een rol bij het inschakelen van passende hulpverlening. De kinderrechter acht dit zorgelijk. Het voorgaande maakt dat de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet zijn behaald.
6.7.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Regievoering en monitoring van de situatie door de GI is nodig om de inzet van hulpverlening te waarborgen. De situatie is simpelweg te complex voor een overdracht naar een vrijwillig kader. De kinderrechter betrekt daarin ook de opstelling van de gemeente, die niet als constructief wordt ervaren en de ervaring van de moeder dat zij de samenwerking met de GI en de pleegouders als onprettig ervaart.
6.8.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
6.9.
In de komende periode zal de focus moeten liggen op het inschakelen van passende hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij moeten kunnen toekomen aan een leeftijdsadequate ontwikkeling en een groei op sociaal-emotioneel en cognitief gebied. Ook zal duidelijk moeten worden waar zij kunnen opgroeien en zij een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedingsomgeving vinden. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het belangrijk dat zij duidelijkheid krijgen over hun opvoedperspectief. Er dient daarbij tevens aandacht te blijven voor het contact met de moeder.
Machtiging tot uithuisplaatsing
6.10.
Uit de overlegde stukken en de toelichting van de GI en de pleegmoeder tijdens de zitting is gebleken dat een volledig verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin niet langer haalbaar is. Het gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als gevolg van hetgeen zij in het verleden hebben meegemaakt en het proces rondom de verwerking van het trauma leidt tot overbelasting van het pleeggezin. Gezocht wordt naar een passende vervolgplek in een gezinshuis. Een succesvol intakegesprek heeft tot op heden echter nog geen match opgeleverd. Onduidelijk is dan ook of en op welke termijn er een gezinshuis voorhanden is.
6.11.
Voormelde ontwikkeling maakt dat de GI verzoekt om de huidige machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal dat verzoek toewijzen. Zolang er geen gezinshuis beschikbaar is, dient het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het huidige pleeggezin te worden gecontinueerd. Gebleken is dat de pleegmoeder daar ook achter staat. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voelen zich fijn in het pleeggezin en willen daar ook blijven. Een verlenging van die machtiging is tevens nodig, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – ook bij een plaatsing in een gezinshuis – blijvend in de weekenden bij het pleeggezin terecht kunnen.
6.12.
Nu er gezocht wordt naar een passend gezinshuis dient hiervoor een andere (aanvullende) machtiging te worden verleend. Immers, een plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis valt niet onder de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) zal gelden voor de duur van een jaar. Daarmee wordt mogelijk dat de GI direct kan handelen wanneer er een gezinshuis beschikbaar is en er hiervoor geen nieuwe procedure nodig is. Een nieuwe procedure acht de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
6.13.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter aldus de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg
verlengenvoor de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis
verlenenvoor de duur van de ondertoezichtstelling.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.14.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.15.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 24 oktober 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) tot 24 oktober 2026;
7.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 24 oktober 2026;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.