Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet binnen de wettelijke termijn van acht weken heeft beslist op haar aanvraag tot herbeoordeling van een WIA-uitkering. De rechtbank constateert dat de aanvraag op 14 mei 2025 is ingediend en het UWV uiterlijk 10 juli 2025 had moeten beslissen. Na ingebrekestelling op 11 juli 2025 en het verstrijken van twee weken zonder besluit, is het beroep kennelijk gegrond.
Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen en achterstanden bij het inplannen van spreekuren. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog een besluit te nemen, met het oog op zorgvuldige besluitvorming en het belang van eiseres.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het besluit uitblijft na de uitspraak. De reeds verschuldigde bestuurlijke dwangsom wordt vastgesteld op €1.442. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.