Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, ondanks een ingebrekestelling door eiseres. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn van het UWV inmiddels is verstreken.
Het UWV gaf aan dat de vertraging te wijten is aan een achterstand in het medisch-arbeidskundig onderzoek door een tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank acht het redelijk om het UWV een termijn van vier maanden te geven om alsnog een besluit te nemen, gezien het belang van een zorgvuldige besluitvorming en het belang van eiseres om binnen afzienbare tijd duidelijkheid te krijgen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de nieuwe termijn overschrijdt. Omdat het UWV al een dwangsombesluit heeft genomen, stelt de rechtbank deze dwangsom niet vast. Tot slot veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.