Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarbij zijn WIA-uitkering werd beëindigd omdat hij minder arbeidsongeschikt werd bevonden. Het UWV heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarna eiser een ingebrekestelling stuurde. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV de beslistermijn overschreden heeft.
De rechtbank stelt vast dat het UWV uiterlijk op 1 juli 2025 had moeten beslissen, maar dit niet heeft gedaan. Hoewel het UWV verklaart dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt, acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk om alsnog een besluit te nemen, zodat er ruimte is voor een zorgvuldige heroverweging.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de nieuwe termijn overschrijdt. Omdat het UWV al een dwangsombeslissing heeft genomen, stelt de rechtbank deze niet vast. Tevens moet het UWV het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 27 oktober 2025. Eiser kan binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.