ECLI:NL:RBZWB:2025:7125

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/427089 / FA RK 24-4509 en C/02/440412 / FA RK 25-5078
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Jansen
  • Van Leuven
  • Van der Pols
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:267 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BWArt. 2 Besluit Gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige wegens instabiliteit ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 21 oktober 2025 de verzoeken tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige, ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI). De moeder vertoonde langdurige instabiliteit, had geen vaste woon- of verblijfplaats, was slecht bereikbaar, gebruikte verdovende middelen en kwam bezoekmomenten met de minderjarige niet consequent na. De vader was sinds 2023 niet betrokken en gaf aan het contact te willen uitstellen tot de minderjarige oud genoeg is.

De rechtbank oordeelde dat het gezag niet was misbruikt, maar dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling werd bedreigd door de situatie van de ouders. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij pleegouders waren niet langer passende maatregelen. De rechtbank concludeerde dat de ouders niet in staat waren binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen.

Daarom werd het verzoek tot beëindiging van het gezag van beide ouders toegewezen en de GI benoemd tot voogd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg voor de minderjarige te waarborgen. De ouders behouden het recht op omgang met de minderjarige, en de GI en pleegouders worden aangespoord dit contact te faciliteren.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van beide ouders wordt beëindigd en de Stichting Jeugdbescherming Brabant wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/427089 / FA RK 24-4509;
C/02/440412 / FA RK 25-5078.
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging
in de zaken van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
zonder bij de rechtbank bekende woon- of verblijfplaats,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.A. Scanlan uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
zonder bij de rechtbank bekende woon- of verblijfplaats,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats 1] ,
advocaat: mr. F.J. Koningsveld uit Breda,
FAMILIE [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
C/02/427089 / FA RK 24-4509:
  • het rapport met begeleidende brief en bijlagen van de Raad van 24 september 2024, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;
  • de brief van de GI van 25 november 2024, ingekomen bij de griffie op 6 december 2024;
  • het bericht van de griffier van deze rechtbank aan de Raad en de belanghebbenden van 12 december 2024;
  • de brief van de GI van 10 april 2025, ingekomen bij de griffie op 11 april 2025;
  • het bericht van mr. Scanlan van 11 april 2025;
  • het bericht van de griffier van deze rechtbank aan mr. Scanlan en mr. Koningsveld van 11 april 2025;
- het bericht van de GI van 17 juni 2025 met als bijlage de toetsing van de Raad van het verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.
C/02/440412 / FA RK 25-5078:
  • het bericht met bijlage van de Raad van 30 september 2025, inhoudende een bereidverklaring voogdij van de GI;
  • het e-mailbericht met bijlagen van de Raad van 26 september 2025, ingekomen bij de griffie op 1 oktober 2025, inhoudende een aanvullend rapport en een verzoek tot gezagsbeëindiging en benoeming voogd;
  • het bericht van mr. Scanlan van 8 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak met kenmerk C/02/427089 / FA RK 24-4509 stond gepland op 17 december 2024. Voorafgaand aan de zitting constateerde de rechtbank dat de vader niet correct was opgeroepen. De rechtbank heeft daarop besloten de behandeling van deze zaak aan te houden.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak met kenmerk C/02/427089 / FA RK 24-4509 stond vervolgens gepland op 1 mei 2025. Nu de GI op 1 mei 2025 niet aanwezig kon zijn, heeft de rechtbank bepaald de behandeling van deze zaak aan te houden.
1.4.
Op 30 september 2025 is bij de rechtbank een nieuw verzoek van de Raad binnengekomen. Aan dit verzoek is een nieuw zaaknummer gekoppeld. Dit betreft het zaaknummer C/02/440412 / FA RK 25-5078.
1.5.
Op 9 oktober 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank voornoemde zaken gelijktijdig mondeling behandeld met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder, via Teams, bijgestaan door haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.6.
De vader is correct opgeroepen, maar niet bij de zitting verschenen.
1.7.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de verzoeken in deze zaken en het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/435208 / JE RK 25-859, zijn deze zaken gelijktijdig mondeling behandeld.
1.8.
In de zaak met kenmerk C/02/435208 / JE RK 25-859 is bij separate beschikking van heden beslist.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] is eind januari 2021 met instemming van de ouders uit huis geplaatst. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 juli 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg zijn sindsdien steeds verlengd.
2.3.
Bij beschikking van 1 juli 2025, die is hersteld bij beschikking van 11 juli 2025, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor het laatst verlengd met ingang van 6 juli 2025 tot 6 november 2025. Het resterende deel van de verzoeken is aangehouden tot de zitting van 9 oktober 2025. Dit betreft de zaak met kenmerk C/02/435208 / JE RK 25-859.
2.4.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij de pleegouders.
2.5.
De Raad heeft op 19 maart 2024 een verzoek van de GI ontvangen om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders.
2.6.
De Raad heeft na afronding van het onderzoek op 3 juli 2024 aan de GI medegedeeld geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders bij de rechtbank in te zullen dienen.
2.7.
Bij brief van 23 augustus 2024 heeft de GI aan de Raad verzocht om, conform artikel 1:267, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders noodzakelijk is.
2.8.
De Raad heeft vervolgens op 24 september 2024 bij de rechtbank het verzoek ingediend om een oordeel te geven over de vraag of beëindiging van het gezag van beide ouders over [minderjarige] moet volgen (
de zaak met kenmerk C/02/427089 / FA RK 24-4509).
2.9.
De Raad heeft op 26 september 2025 een aanvullend rapport ingediend met een nieuw verzoekschrift waarin de Raad verzoekt om het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen en de GI tot voogdes te benoemen (
de zaak met kenmerk C/02/440412 / FA RK 25-5078).
2.10.
Op 30 september 2025 heeft de Raad vervolgens een bericht gestuurd met als bijlage de bereidverklaring van de GI om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.

3.De verzoeken

C/02/427089 / FA RK 24-4509
3.1.
De Raad heeft de rechtbank op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW verzocht een oordeel te geven over de vraag of beëindiging van het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] noodzakelijk is.
C/02/440412 / FA RK 25-5078
3.2.
De Raad verzoekt om het ouderlijk gezag van de moeder en de vader te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
De Raad heeft, samengevat, het navolgende aangevoerd. In september 2024 concludeerde de Raad dat er onvoldoende redenen waren om het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen. De Raad constateerde dat, ondanks dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin bepaald is, er nog mogelijkheden waren om te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de moeder concludeerde de Raad dat niet gebleken was dat er tegen problemen aangelopen werd in de uitoefening van het gezag of dat de belangen van [minderjarige] geschaad zouden worden als de moeder haar gezag zou behouden. Er waren al lange tijd zorgen over de instabiele situatie van de moeder en haar persoonlijke problematiek maar er was een positieve lijn te bemerken. De moeder kwam contactmomenten met [minderjarige] na, stond in contact met de GI en de pleegmoeder en zou een behandeling bij de GGz gaan starten. Ten aanzien van de vader concludeerde de Raad dat er niet toegekomen kon worden aan een inhoudelijke toets omdat de GI niet voldoende inspanningen had verricht om met de vader in contact te komen tijdens zijn detentie in Griekenland.
4.2.
Vanwege nieuwe ontwikkelingen heeft de Raad in september 2025 haar visie aangepast en alsnog een verzoek ingediend om het gezag van beide ouders te beëindigen. De situatie van de moeder is verslechterd sinds het onderzoek in 2024. De moeder heeft geen vaste verblijfplaats en het lukt haar niet om aan een woning te komen. Zij heeft lange tijd geen telefoon gehad en is vaak slecht bereikbaar. Daarbij is het de moeder niet gelukt om het traject bij de GGz te starten en blijkt de moeder nog steeds verdovende middelen te gebruiken. Waar het de moeder eerder lukte om de bezoeken aan [minderjarige] vrijwel altijd na te komen, lukt ook dit niet meer. Duidelijk is geworden dat de moeder de ernst van de situatie onvoldoende inziet. Hoewel de moeder graag betrokken wil zijn, wordt zij hierin belemmerd door haar persoonlijke problematiek en het niet kunnen komen tot duurzame stabiliteit. Hierdoor lukt het niet om voldoende beschikbaar te zijn voor [minderjarige] en om haar gezag te allen tijde adequaat uit te oefenen. Hoe de moeder haar gezag invult, is namelijk afhankelijk van hoe het met de moeder gaat. Als het niet goed met de moeder gaat, lukt het vaak niet om met haar in contact te komen om zaken voor [minderjarige] te regelen. Daardoor hebben de aanvullende onderzoeken van [minderjarige] bij [hulpverlening] flinke vertraging opgelopen. De Raad ziet dat er bij de moeder geen sprake is van onwil, maar van onmacht. De Raad gunt het de moeder dat zij actief aan de slag zal gaan met de hulpverlening, maar [minderjarige] kan het proces van de moeder niet nog langer afwachten. Voor [minderjarige] is het van belang dat ze erop kan vertrouwen dat zaken goed en tijdig voor haar geregeld worden en zij mag hierover niet in onzekerheid verkeren. Bovendien is het ook niet de eerste keer dat situatie van de moeder zeer instabiel is. Dit blijkt een terugkerend patroon. Gelet op het voorgaande vindt de Raad het in belang van [minderjarige] dat het gezag van de moeder beëindigd wordt. Op dit moment is het belangrijk dat de focus gaat liggen op hoe de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] vormgegeven kan worden en dat de energie van de moeder kan gaan naar het op een fijne manier invullen van de bezoeken aan [minderjarige] .
4.3.
Ook wat de vader betreft, vindt de Raad het van belang dat zijn gezag wordt beëindigd. De vader heeft al sinds de zomer van 2023 geen contact meer met [minderjarige] . [minderjarige] kan al lange tijd niet op haar vader vertrouwen als ouder en de vader geeft geen uitvoering aan zijn gezag. De vader is sinds februari 2025 terug in Nederland. Hij wil niet in gesprek met de GI en heeft aangegeven te willen wachten met herstel van het contact totdat [minderjarige] oud genoeg is om haar eigen keuzes te maken. Doordat de vader lange tijd niet betrokken is geweest en het er ook niet naar uitziet dat hij dit in de nabije toekomst wel zal zijn, is hij niet in staat om op een weloverwogen manier uitvoering te geven aan zijn gezag.
4.4.
Concluderend is duidelijk geworden dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij (een van de) ouders ligt. De doelen van de ondertoezichtstelling kunnen niet behaald worden en ondanks de jarenlange inzet van hulpverlening lukt het de ouders niet om hun situatie duurzaam te stabiliseren. Een voortzetting van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is dan ook geen passende oplossing. De Raad verwacht niet dat de situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen en ziet ook geen mogelijkheden om de hulpverlening plaats te laten vinden in een vrijwillig kader. Hoewel de Raad zich bewust is van het ingrijpende karakter van een gezagsbeëindigende maatregel, is de Raad van mening dat dit een passende maatregel is. In het belang van [minderjarige] dient de GI de voogdij over [minderjarige] te krijgen. De GI kan vanuit diens neutrale positie de belangen van [minderjarige] behartigen, zorgdragen voor continuïteit en belangrijke beslissingen voor haar nemen.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
De moeder voert, samengevat, aan dat zij haar leven probeert te beteren. Zij is inmiddels weer goed bereikbaar en als zij een oproep mist, probeert zij zo snel mogelijk terug te bellen. De moeder verblijft nu bij vrienden, maar is druk bezig met het vinden van een eigen woning. Ook geeft de moeder aan niet verslaafd te zijn aan verdovende middelen. Zij heeft daar geen geld voor en probeert gezond te leven. Zij moet binnenkort wel naar de huisarts, maar het is haar nog niet gelukt om daarvoor een afspraak te maken. Ook heeft zij op eigen initiatief een afspraak bij de GGz gehad en staat de vervolgafspraak al gepland. Op dit moment krijgt de moeder hulp vanuit SDW. Zij merkt echter dat de hulpverleningsinstanties vrijwel niets van zich laten horen. Zij wilde ook Housing First aanvragen, maar kreeg daarop geen reactie.
De moeder ontkent dat zij verkeerde beslissingen over [minderjarige] maakt als zij niet goed in haar vel zit. Ook betwist de moeder dat zij ooit onverantwoordelijk is geweest richting [minderjarige] . Zo heeft zij nooit alcohol gedronken tijdens de zwangerschap en begrijpt zij ook niet waarom daarvoor een onderzoek nodig is. Dit was ook de reden dat de moeder pas later haar toestemming voor de aanvullende onderzoeken heeft gegeven.
Ook is de moeder het niet eens met de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] . Zij wil dat de contactmomenten uitgebreid worden en onbegeleid plaatsvinden. De moeder zou ook graag dingen met [minderjarige] willen ondernemen, maar dit wordt telkens afgewezen door de GI. Wat haar aanwezigheid bij de contactmomenten betreft, voert de moeder aan dat zij hoogstens drie keer niet aanwezig is geweest. Ook betwist zij volwassenenzaken met [minderjarige] te bespreken. Zij is bang dat zij steeds verder op afstand van [minderjarige] komt als haar gezag wordt beëindigd, terwijl zij juist meer contact met [minderjarige] wil.
De advocaat van de moeder voert aanvullend aan dat het contact met de moeder niet altijd even goed verloopt en dat zij de moeder voor de zitting niet meer heeft gesproken maar dat zij wil een standpunt kan innemen namens de moeder. De moeder geeft aan dat het beter met haar gaat, vooral nu haar ex-partner uit beeld is. Verder is de moeder bereikbaar en is zij in staat met de GI beslissingen te nemen over [minderjarige] . De moeder heeft ook altijd toestemming verleend als dat nodig was. De GI verwacht dat er problemen ontstaan als er een spoedbeslissing over [minderjarige] genomen moet worden. De advocaat bepleit echter dat een dergelijke onzekere omstandigheid geen reden mag zijn om het gezag te beëindigen. Nu de moeder haar gezag niet heeft misbruikt, volgt op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat er enkel sprake kan zijn van gezagsbeëindiging als de voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Het feit dat de moeder gezag heeft, heeft nooit een schadelijk effect op [minderjarige] gehad. De moeder verzoekt dan ook om afwijzing van het verzoek.
5.2.
De advocaat van de vader geeft aan dat hij geen standpunt namens de vader in kan nemen omdat hij de vader niet heeft gesproken. Het enige wat de advocaat opmerkt, is dat de vader een moeilijke tijd in Griekenland heeft gehad. Hij is daarna naar Nederland gekomen en heeft kennelijk bij de GI aangegeven dat hij op dit moment afstand neemt. Of dit ook daadwerkelijk betekent dat de vader geen mogelijkheden ziet om zijn gezag over [minderjarige] in te vullen, is niet bekend.
5.3.
De pleegouders verklaren, samengevat, dat het goed gaat met [minderjarige] . Op dit moment lijkt de therapie geholpen te hebben maar of dat blijvend is, zal de toekomst moeten uitwijzen. [minderjarige] reageert daarentegen nog wel op de contactmomenten met haar moeder. Als haar moeder niet komt of te laat is, is [minderjarige] verdrietig en vertoont zij weer opstandig gedrag. Als haar moeder wel komt, is [minderjarige] haar reactie afhankelijk van de houding van de moeder. Ondanks de, soms heftige, reacties van [minderjarige] vinden de pleegouders het erg belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder doorgang blijft vinden.
5.4.
De GI heeft, samengevat, aangevoerd dat de situatie van beide ouders al een lange periode instabiel is. Het lukt de moeder niet om een duurzame stabiele situatie te creëren. Er zijn nog steeds zorgen om de psychische gesteldheid en het drugsgebruik van de moeder. Ook heeft de moeder geen vaste verblijfplaats en weet de GI niet waar of bij wie zij verblijft. De moeder is wisselend in het contact met de GI en ook de contactmomenten met [minderjarige] komt de moeder wisselend na. Ook is zij tijdens bezoeken met regelmaat onder invloed en belast zij [minderjarige] met volwassenenzaken. [minderjarige] laat hevige reacties zien die afhankelijk zijn van de aanwezigheid en de houding van de moeder tijdens de bezoeken. Voor nu is de GI van mening dat de bezoeken niet uitgebreid kunnen worden en onder begeleiding plaats moeten vinden. De begeleiding is nodig voor de veiligheid van [minderjarige] ondermeer vanwege het middelengebruik van de moeder. Met [minderjarige] gaat het beter sinds de frequentie van de bezoeken omlaag is gegaan en zij hulpverlening heeft gekregen. De behandeling bij [hulpverlening] is afgerond. Er wordt nog wel aanvullend onderzoek gedaan bij [minderjarige] naar ADHD en het FAS-syndroom, omdat hier vermoedens van zijn. Dit heeft echter lang op zich laten wachten omdat het lang duurde voordat de moeder hiervoor haar toestemming gaf.
De vader is na zijn detentie in Griekenland teruggekeerd naar Nederland. Hij heeft in april 2024 contact gezocht met de GI voor een contactmoment met [minderjarige] . De GI wilde daarover met de vader in gesprek, maar daar was de vader niet toe bereid. Sindsdien heeft de GI niets meer van de vader vernomen.
Gelet op het voorgaande handhaaft de GI haar standpunt om het gezag van beide ouders te beëindigen. De levens van beide ouders zijn instabiel en zij kunnen al moeilijk voor zichzelf zorgen, laat staan beslissingen nemen voor [minderjarige] . Beide ouders zijn daarnaast lastig te bereiken. Dit is zorgelijk als zij gezagsbeslissing moeten nemen. Een ondertoezichtstelling is niet meer de geëigende maatregel. Ook is hulp in het vrijwillig kader niet mogelijk gezien de vele zorgen rondom de ouders.

6.De beoordeling

C/02/427089 / FA RK 24-4509
Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW kan de Raad – na het schriftelijke verzoek van de GI om daartoe over te gaan – het oordeel van de rechtbank vragen of de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, indien de Raad heeft besloten om niet tot het indienen van een verzoek tot gezagsbeëindiging over te gaan. Indien de rechtbank van oordeel is dat de beëindiging van het ouderlijk gezag noodzakelijk is, kan zij dit ambtshalve uitspreken.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
In september 2024 concludeerde de Raad dat er onvoldoende redenen waren om het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen. De GI kon zich niet verenigen met dit advies van de Raad. De Raad heeft daarom de rechtbank verzocht om een oordeel te geven over de vraag of beëindiging van het gezag van de ouders noodzakelijk is. In september 2025 heeft de Raad aanvullend onderzoek gedaan en een verzoek tot gezagsbeëindiging van beide ouders ingediend.
6.3.
Nu de Raad heeft besloten om over te gaan tot het indienen van een verzoek tot gezagsbeëindiging en de rechtbank op dat verzoek zal beslissen is het belang bij een behandeling en inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een oordeel te geven op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW vervallen. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de Raad afwijzen. Het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging zal de rechtbank hieronder inhoudelijk behandelen.
C/02/440412 / FA RK 25-5078
Wettelijk kader
6.4.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de moeder en de vader hun gezag niet hebben misbruikt. Van een situatie als vermeld in artikel 1:266, eerste lid, onder sub b BW is dus geen sprake. De vraag die dus aan de rechtbank voorligt, is of [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd en of de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en voor de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Hierbij zal de rechtbank ook het door het EHRM gegeven criterium betrekken dat voor een dergelijke verstrekkende maatregel ook vast dient te staan dat voortzetting van het ouderlijk gezag nadelig zal zijn voor de minderjarige.
6.6.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt. [minderjarige] is jaren geconfronteerd met onrustige opvoedingssituaties, waarin er onder meer zorgen waren over de opvoedvaardigheden en persoonlijke problematiek van de ouders. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige] in 2021 uit huis is geplaatst, eerst op vrijwillige basis en later op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. In het begin vertoonde [minderjarige] veel gedragsproblemen en hechtingsproblematiek. [minderjarige] verblijft inmiddels vier jaar in het pleeggezin. Zij heeft sindsdien een positieve groei in haar ontwikkeling doorgemaakt. Dit laat echter onverlet dat bij [minderjarige] nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling, waarbij zij veel zorg, aandacht en een sterke sturing van de pleegouders in haar opvoeding nodig heeft om zich positief te kunnen (blijven) ontwikkelen.
6.7.
De uithuisplaatsing van [minderjarige] is meerdere malen getoetst door de kinderrechter, waarbij telkens is gebleken dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog aanwezig waren. Er heeft een perspectiefonderzoek plaatsgevonden door [jeugdhulp] op grond waarvan de GI in november 2023 heeft geconcludeerd dat niet langer gewerkt dient te worden aan een terug thuisplaatsing bij de moeder en dat [minderjarige] het beste kan opgroeien binnen het pleeggezin. De rechtbank is ook gebleken dat [minderjarige] op haar plek zit bij haar pleegouders. De pleegouders zijn in staat om tegemoet te komen aan de opvoedbehoeften van [minderjarige] en hebben [minderjarige] in de gelegenheid gesteld de voor haar noodzakelijke behandeling te volgen. Het perspectief van [minderjarige] is gelegen bij haar pleegouders. Gelet op het belaste verleden van [minderjarige] is het belangrijk dat deze veilige en stabiele opvoedingssituatie wordt gecontinueerd.
6.8.
Nu vaststaat dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij (één van) de ouder(s) ligt, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in beginsel niet langer de geëigende maatregelen. Volgens jurisprudentie van het EHRM is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging anders dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW Pro. Volgens artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) is beëindiging van het ouderlijk gezag een verstrekkende inmenging in het familie- en gezinsleven. Deze inmenging moet in een redelijke verhouding staan tot het doel dat wordt nagestreefd en een lichtere maatregel dient te worden verkozen boven een zwaardere maatregel als het doel daarmee ook kan worden bereikt. Slechts wanneer voortzetting van de band tussen het kind en zijn/haar ouders in het nadeel zal zijn voor de verdere ontwikkeling van het kind, aldus de jurisprudentie van het EHRM, kan en mag er sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag.
6.9.
Ten aanzien van het verzoek om het gezag van de vader te beëindigen, overweegt de rechtbank als volgt. De vader is al jaren niet meer betrokken in het leven van [minderjarige] . Hij heeft de afgelopen jaren geen invulling gegeven aan zijn gezag en heeft daarmee onvoldoende gehandeld in het belang van [minderjarige] . Sinds de ondertoezichtstelling is het de GI ook niet gelukt om de vader van houding te doen veranderen. Aanvankelijk mocht van de GI verwacht worden dat zij meer inspanningen zou verrichten om de vader te bereiken gedurende zijn detentie in Griekenland. Gebleken is dat de GI dat uiteindelijk heeft gedaan door contact op te nemen met de Centrale Autoriteiten, maar zonder resultaat. De vader is inmiddels uit detentie en teruggekeerd naar Nederland. Deze verandering van omstandigheden heeft de vader er echter niet toe aangezet om weer een betrokken ouder voor [minderjarige] te worden. De vader heeft eenmaal een bericht gestuurd naar de GI maar stond vervolgens niet open voor een gesprek. Hij heeft daarna al het contact verbroken en aangegeven dat hij wel wacht tot [minderjarige] oud genoeg is om zelf te beslissen. Ook zijn advocaat heeft aangegeven dat het hem niet meer is gelukt om met de vader in contact te komen. Doordat de vader al jaren uit contact is getreden weet hij niet wat er zich op dit moment in het leven van [minderjarige] afspeelt en bij welke gezagsbeslissingen zij het meest gebaat is. Gelet op het verleden is het ook niet waarschijnlijk dat het de vader op korte termijn zal lukken om hier verandering in te brengen.
6.10.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, BW en de vereisten van artikel 8 EVRM Pro is voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader toewijzen.
6.11.
Ten aanzien van de moeder van [minderjarige] overweegt de rechtbank dat uit de stukken en de zitting is gebleken dat haar situatie al lange tijd niet stabiel is. Gedurende het onderzoek van de Raad in 2024 waren er al forse zorgen om de situatie van de moeder. De Raad zag toen echter nog onvoldoende aanleiding om het gezag van de moeder te beëindigen omdat niet gebleken was dat er tegen problemen in de uitoefening van het gezag aangelopen werd of dat de belangen van [minderjarige] op dat moment werden geschaad. In september 2025 heeft de Raad geconcludeerd dat er door nieuwe ontwikkelingen wel aanleiding is om het gezag van de moeder te beëindigen. De rechtbank onderschrijft deze conclusie van de Raad en overweegt daartoe als volgt. De situatie van de moeder is het afgelopen jaar instabiel gebleven. De persoonlijke problematiek van de moeder staat nog steeds op de voorgrond. Zij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en is met regelmaat slecht bereikbaar. Ook de zorgen om én vermoedens van middelengebruik zijn nog steeds aanwezig. Er is de afgelopen jaren veel hulpverlening ingezet maar dit heeft er niet toe geleid dat de zorgen zijn afgenomen. Ook is de moeder vanaf de start van de ondertoezichtstelling al verzocht om hulp te gaan zoeken voor haar persoonlijke problematiek, maar ook dit is nog steeds niet voldoende van de grond gekomen. Daarnaast lukt het de moeder niet (meer) om de bezoekmomenten met [minderjarige] consequent na te komen. Zij komt met regelmaat niet óf te laat opdagen. Als zij wel aanwezig is, lukt het haar ook niet altijd om de bezoekmomenten onbelast plaats te laten vinden. Gebleken is dat de bezoekmomenten nog steeds impact hebben op [minderjarige] . De aanwezigheid én houding van de moeder beïnvloeden het gedrag van [minderjarige] aanzienlijk. Na belastende bezoekmomenten of afwezigheid van de moeder is [minderjarige] vaak opstandig en teleurgesteld.
6.12.
Naast voormelde zorgelijke ontwikkelingen is er het afgelopen jaar tegen verschillende problemen in de uitoefening van het gezag aangelopen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de moeder onvoldoende in staat is om haar ouderrol op passende wijze uit te oefenen als het gaat om het nemen van beslissingen. De manier waarop de moeder haar gezag uitoefent, is sterk afhankelijk van hoe het met de moeder gaat. Zo is gebleken dat wanneer het niet goed met de moeder gaat, het niet (goed) lukt om met haar in contact te komen als er gezagsbeslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden. De aanmelding voor de aanvullende onderzoeken bij [hulpverlening] om verder te kijken naar kindeigen problematiek hebben hierdoor flinke vertraging opgelopen. Ook zaken zoals het akkoord geven voor de aanvraag van een identiteitsbewijs nemen onnodig veel tijd in beslag. Deze vertragingen zijn niet in het belang van [minderjarige] en zijn schadelijk voor haar verdere ontwikkeling, omdat dit ertoe leidt dat zaken die voor [minderjarige] geregeld moeten worden stagneren.
6.13.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. De rechtbank ziet dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat zij probeert haar leven te beteren. [minderjarige] kan het proces van de moeder om haar leven op orde te krijgen echter niet nog langer afwachten. Voor [minderjarige] is het namelijk van groot belang dat zaken tijdig en zorgvuldig voor haar worden geregeld zodat zij niet in onzekerheid hoeft te verkeren. Aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, BW en de vereisten van artikel 8 EVRM Pro is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.
6.14
Tot slot overweegt de rechtbank dat de beslissing tot gezagsbeëindiging van de ouders niet wegneemt dat de ouders altijd de ouders van [minderjarige] blijven. Zij zullen altijd een belangrijke rol blijven spelen in het leven van [minderjarige] . Het verlies van het ouderlijk gezag leidt niet tot een beperking van het recht op omgang met [minderjarige] . De ouders behouden het recht en de plicht om contact te hebben met [minderjarige] en [minderjarige] heeft onverminderd recht op omgang met haar ouders. De rechtbank vertrouwt er dan ook op dat de GI en de pleegouders zich in zullen zetten om het contact met de ouders waar mogelijk te (blijven) faciliteren. Daarbij geeft de rechtbank de moeder in overweging mee om de hulpverlening vanuit de GGz voort te zetten. Als de moeder haar situatie duurzaam verbetert, kunnen de omgangsmomenten met [minderjarige] zinvoller worden ingevuld. Indien de moeder hiertoe in staat is, verwacht de rechtbank dat de GI onderzoekt of een andere invulling van de omgangsmomenten tot de mogelijkheden behoort.
Voogdij
6.15.
Omdat de beëindiging van het gezag van beide ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
6.16.
De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat de GI zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI kan een neutrale positie innemen en een verdere regievoerder zijn ten aanzien van de wijze van communicatie tussen de moeder en de pleegouders, en het contact tussen [minderjarige] en de moeder (en de vader) voor de toekomst. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij. [minderjarige] heeft een onafhankelijke, betrokken voogd nodig om haar naar verdere volwassenheid te begeleiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij over [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
6.17.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Gezagsregister
6.18.
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

7.De beslissing

De rechtbank:
C/02/427089 / FA RK 24-4509
7.1.
wijst het verzoek af;
C/02/440412 / FA RK 25-5078
7.2.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de vader], geboren op [geboortedag 2] 1982 in [geboorteplaats 2] over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
7.3.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedag 3] 1985 in [geboorteplaats 3] over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
7.4.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur;
7.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. Jansen, voorzitter, mr. Van Leuven en mr. Van der Pols, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Van der Linde als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.