ECLI:NL:RBZWB:2025:7127

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439152 / JE RK 25-1550
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:262b BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige, geen bekrachtiging perspectiefbesluit GI

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De GI verzocht tevens om bekrachtiging van het perspectiefbesluit dat de pleegouders het opvoedperspectief hebben, niet de moeder.

De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat, verzette zich tegen het verzoek en stelde dat de GI onvoldoende zicht heeft gekregen op haar opvoedvaardigheden en dat passende hulpverlening niet is ingezet. De kinderrechter constateerde dat de GI de opdracht van rechtbank en hof om een extern perspectiefonderzoek uit te voeren niet heeft opgevolgd en het perspectiefbesluit op basis van eigen observaties heeft genomen.

De kinderrechter oordeelde dat het perspectiefbesluit niet bekrachtigd wordt en gaf de GI de opdracht binnen zes maanden een extern perspectiefonderzoek te laten uitvoeren en passende hulpverlening in te zetten. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing werden wel verlengd voor de duur van een jaar, omdat de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige nog niet is weggenomen en terugplaatsing bij de moeder niet haalbaar is.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het belang van de ontwikkeling van de minderjarige. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd voor een jaar, het perspectiefbesluit van de GI wordt niet bekrachtigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439152 / JE RK 25-1550
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING
gevestigd te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam.
FAMILIE [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 augustus 2025;
  • het bericht van de GI met als bijlage de toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 7 oktober 2025;
  • de tijdens de zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr. Ter Haar-Bas.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
  • een vertegenwoordiger van de GI (via Teams-verbinding).
De vader en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 oktober 2021 is [minderjarige] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 20 oktober 2021 en tot 20 oktober 2022. De
ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst, bij beschikking van 15
oktober 2024, tot 20 oktober 2025.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 oktober 2021 is een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 20
oktober 2021 en tot 20 juli 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst,
bij beschikking van 17 juli 2025, tot 20 oktober 2025.
2.4.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij de pleegouders.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tevens verzoekt de GI het door de GI genomen perspectiefbesluit van [minderjarige] bij de pleegouders te bevestigen.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. In aanvulling op de stukken licht de GI desgevraagd toe hoe zij uitvoering hebben gegeven aan de opdracht van de rechtbank en het Hof. De GI heeft het NIKA-traject ingezet en nadat dat traject als niet passend werd geacht, heeft de GI intern besloten om geen nieuw (extern) perspectiefonderzoek in te zetten en zijn zij op basis van eigen observaties en de omgangsverslagen zelf tot de conclusie gekomen dat het opvoedperspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt, maar bij de pleegouders. Als de kinderrechter vindt dat er wel een (extern) perspectiefonderzoek moet worden uitgevoerd, is de GI daartoe bereid. In dit kader benadrukt de GI wel dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat zij op korte termijn duidelijkheid krijgt over haar opvoedperspectief. Verder geeft de GI aan dat de moeder is gegroeid als het gaat om haar opvoedcapaciteiten en dat de contacten met [minderjarige] positief verlopen, maar dat de moeder de zorgregeling niet altijd nakomt en daarin onvoldoende voorspelbaar is. Ook twijfelt de GI aan de betrouwbaarheid van de moeder. Zo is zij bijvoorbeeld tot het moment van confrontatie niet eerlijk geweest over het feit dat de halfzus van [minderjarige] bij de moeder verbleef. Ten aanzien van de hulpverlening geeft de GI aan dat [hulpverlening 1] een ouderschapsbemiddelingstraject tussen de moeder en de vader van de halfzus van [minderjarige] is. Het is de GI niet bekend dat [hulpverlening 1] zou zien op het leren omgaan en communiceren met kinderen. De GI is ook verbaasd dat de moeder meer hulpverlening had verwacht en gewild, nu zij dit niet eerder bij de GI kenbaar heeft gemaakt. Tot slot gaat de GI kijken of een uitbreiding van het contact mogelijk is.
4.2.
Door en namens de moeder is verzocht om de verzoeken af te wijzen. De GI heeft de opdracht van de rechtbank en het Hof (en het advies van Impegno) niet uitgevoerd. Er is nog steeds geen zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder en sinds de uitspraak van het Hof is er geen passende hulpverlening voor de moeder ingezet. Het NIKA-traject is niet doorgegaan en de GI is de aanmelding bij [hulpverlening 1] vergeten, dat als doel heeft dat de moeder leert omgaan en communiceren met kinderen. Nadat het NIKA-traject als niet passend is geacht, heeft de GI besloten geen nieuw (behandel)traject in te zetten en op basis van eigen observaties en omgangsverslagen zelf besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. De moeder is het hier niet mee eens. De GI heeft niet inzichtelijk gemaakt wanneer en welk onderzoek tot het perspectiefbesluit heeft geleid, er zijn geen omgangsverslagen verstrekt en de GI heeft niet duidelijk gemaakt welke eigen observaties over de opvoedvaardigheden van de moeder zijn waargenomen en door wie en op welke data. De moeder heeft verder aangegeven dat het contact met [minderjarige] goed verloopt, maar zij heeft het gevoel dat er een patroon is waarbij het contact wordt opgebouwd en daarna weer wordt afgebroken. Tot december 2024 was er een weekendregeling en op dit moment zien de moeder en [minderjarige] elkaar wekelijks voor de duur van één uur. De bezoeken zijn niet altijd doorgegaan, maar dat ligt niet alleen aan de moeder. De moeder wil meer contact met [minderjarige] en geeft ook aan dat zij niet weet hoe zij in één uur kan laten zien dat zij over de benodigde opvoedvaardigheden beschikt. Tot slot zou de moeder willen dat [hulpverlening 2] wordt ingezet.
4.3.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft schriftelijk ingestemd met het voorgenomen besluit van de GI om de maatregelen van [minderjarige] te verlengen.

5.De beoordeling

Perspectiefbesluit
5.1.
De kinderrechter zal allereerst ingaan op het door de GI genomen perspectiefbesluit, te weten dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt.
De kinderrechter constateert (opnieuw) dat de GI nog steeds geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank en het Hof om meer zicht te krijgen op de pedagogische vaardigheden van de moeder en om passende hulpverlening voor de moeder in te zetten, terwijl de moeder hier wel voor openstaat. Dit heeft de kinderrechter in de meest recente beschikking van 17 juli 2025 ook al geconstateerd en aangegeven dat zij dit betreurt. Nadat het NIKA-traject in februari 2025 als niet passend werd geacht, heeft de GI geen ander (extern) perspectiefonderzoek ingezet en intern besloten om zelf het perspectief van [minderjarige] te bepalen. Dit heeft de GI op basis van eigen observaties en de omgangsverslagen gedaan, waarbij de kinderrechter opmerkt dat zij begrijpt dat het voor de moeder lastig is om tijdens één uur per week dat zij op het kantoor van de pleegzorgbegeleiding contact met [minderjarige] heeft te laten zien dat zij over de benodigde pedagogische vaardigheden beschikt. Dit maakt dat de kinderrechter het door de GI genomen perspectiefbesluit nu niet zal bekrachtigen.
5.2.
De kinderrechter benadrukt met klem dat de GI nu echt de door de rechtbank en het Hof gegeven opdracht moet gaan uitvoeren, zodat op korte termijn duidelijkheid komt over het opvoedperspectief van [minderjarige] en de (toekomstige) rol van de moeder daarin. Zij verwacht dat de GI binnen zes maanden middels een extern perspectiefonderzoek zicht op de pedagogische vaardigheden van de moeder krijgt en zo snel mogelijk passende hulpverlening voor de moeder zal gaan inzetten, waarbij de kinderrechter opmerkt dat in dit kader eerder bijvoorbeeld Jeugdformaat en/of de Raad voor de Kinderbescherming zijn genoemd. Mocht het perspectiefonderzoek aanleiding geven tot een nadere zitting, kan (de advocaat van) de moeder via de geschillenregeling ondertoezichtstelling (artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) de kinderrechter om een nadere zitting vragen.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan wettelijke criteria en zal de verzoeken tot het verlengen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg toewijzen voor de verzochte duur, te weten met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 oktober 2026. Zij legt dit hierna uit.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet. Uit de informatie van de GI volgt dat de moeder is gegroeid in haar opvoedcapaciteiten en dat het contact met [minderjarige] positief verloopt. Tegelijkertijd is het de kinderrechter gebleken dat de moeder de zorgregeling niet altijd nakomt en dat de moeder hierin onvoorspelbaar is. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen en dat er nog stappen moeten worden gezet. Zo is het perspectief van [minderjarige] nog steeds onduidelijk en heeft de GI, nadat duidelijk werd dat het NIKA-traject geen doorgang zal vinden, geen ander (behandel)traject ingezet als gevolg waarvan er nog steeds geen zicht op de pedagogische vaardigheden van de moeder is verkregen. Ook is er voor de moeder nog geen passende hulpverlening ingezet. Om die reden is de kinderrechter van oordeel dat de GI langer als regievoerder betrokken moet blijven. Verder is zij van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin moet worden gecontinueerd, nu een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment niet haalbaar is en de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] is. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt in het pleeggezin en dat de pleegouders goed lijken aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De kinderrechter zal de maatregelen voor een jaar verlengen en verwacht van de GI, zoals in rechtsoverweging 5.1 en 5.2 opgenomen, dat de GI nu echt uitvoering gaat geven aan de door de rechtbank en het Hof gegeven opdracht. Het opvoedperspectief van [minderjarige] moet op korte termijn duidelijk zijn en hiervoor is het nodig dat er middels een extern perspectiefonderzoek zicht komt op de pedagogische vaardigheden van de moeder en dat er passende hulpverlening voor de moeder wordt ingezet. De moeder staat hiervoor open en heeft zelf tijdens de zitting als mogelijke hulpverleningsorganisaties [hulpverlening 1] en/of [hulpverlening 2] genoemd. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI de wens van de moeder serieus gaat nemen en gaat kijken of een uitbreiding van het contact met [minderjarige] mogelijk is en in haar belang is.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
De beslissing ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025 en de beslissing ten aanzien van het perspectiefbesluit is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en beide beslissingen zijn op schrift gesteld op 22 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.