ECLI:NL:RBZWB:2025:7135

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/438812 / JE RK 25-1495
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van der Velde
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds oktober 2023 onder toezicht staat vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

De kinderrechter constateert dat de ouders, die het gezamenlijk gezag hebben, positieve stappen hebben gezet in het OSB-traject en de oudercommunicatie, maar dat deze ontwikkelingen nog pril zijn. De minderjarige heeft recent een verhuizing en schoolwisselingen doorgemaakt en woont momenteel bij de stabiele moeder. De vader is betrokken en het contact verloopt goed, maar er blijft een risico op terugval in oud gedrag bij stress.

Gezien de ernst van de ontwikkelingsbedreiging en de noodzaak om de positieve lijn voort te zetten, wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor negen maanden, van 12 oktober 2025 tot 12 juli 2026. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met negen maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438812 / JE RK 25-1495
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 augustus 2025, ontvangen op 14 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist en tijdig is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 12 oktober 2023 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [minderjarige] in onder toezicht gesteld tot 12 oktober 2024.
2.3.
Bij beschikking van 5 juli 2024 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, tot 12 oktober 2024.
2.4.
Bij beschikking van 10 oktober 2024 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 12 oktober 2024 en tot 12 oktober 2025. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 12 oktober 2024 en tot 12 april 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank het resterende deel van het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, afgewezen.
2.6.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift licht de GI toe dat er de afgelopen periode veel is gebeurd en dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt, waaronder een wisseling van school en verhuizing naar de andere ouder en weer terug. Op dit moment gaat het goed met de moeder, maar zij wil geen directe communicatie met de vader. Het OSB-traject heeft vanwege de zwangerschap van de moeder een periode stilgelegen, maar de ouders zitten nu in de laatste fase van het traject en zijn bezig met het maken van afspraken. Het is de verwachting dat het OSB-traject begin volgend jaar is afgerond. Verder is er voor [minderjarige] een kindtraject op school gestart en zal de GI kijken of en welke hulpverlening [minderjarige] nog meer nodig heeft en of de moeder meer ondersteuning nodig heeft. Het contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt goed en de GI zou het de vader en [minderjarige] gunnen dat zij elkaar vaker zien. Verder benadrukt de GI dat de situatie erg pril is en dat het daarom van belang is dat de maatregel wordt verlengd. Tot slot benoemt de GI dat de moeder het eens is met het verzoek.
4.2.
De vader heeft aangegeven dat hij het eens is met het verzoek. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] en daar is de vader blij om, maar hij vindt het wel belangrijk dat er nog een periode wordt gemonitord hoe het met [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder gaat en dat de ouders blijven werken aan het vormgeven van het ouderschap. De ouders zitten in de laatste fase van het OSB-traject, waarbij zij concrete afspraken over [minderjarige] met elkaar moeten gaan maken. De vader stelt dat er ruimte voor verbetering is als het gaat om de oudercommunicatie. De moeder reageert niet altijd op concrete vragen van de vader. De GI kan daarin nog een rol spelen. De vader vindt het belangrijk dat de ouders op een zakelijke manier over [minderjarige] communiceren. Door het verleden is de vader bang om [minderjarige] (opnieuw) te verliezen. Het contact met [minderjarige] verloopt goed en de afspraken worden altijd door de vader nagekomen. De vader geniet van het contact en hoopt dat hij [minderjarige] kan blijven zien.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter zal het – onweersproken – verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van negen maanden, te weten met ingang van 12 oktober 2025 en tot 12 juli 2026. Zij legt dit hierna uit.
5.4.
De kinderrechter overweegt hiertoe dat de ouders in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet. De ouders werken mee aan het OSB-traject en zijn gegroeid in de oudercommunicatie, maar zoals ook de vader tijdens de zitting heeft aangegeven is er nog ruimte voor verbetering. Het is de kinderrechter gebleken dat de ouders op dit moment in de laatste fase van het traject zitten, waarbij zij duidelijke en vaste afspraken over [minderjarige] en de oudercommunicatie moeten gaan maken. Ook het contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt positief. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat deze positieve ontwikkelingen erg pril zijn en de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet volledig is weggenomen. Het risico is nog steeds aanwezig dat de ouders in geval van een stresssituatie vervallen in oud gedrag. Daar komt bij dat [minderjarige] de afgelopen periode veel heeft meegemaakt, waaronder een verhuizing naar de vader waar hij van juni 2024 tot april 2025 heeft gewoond door het psychisch ziekzijn van de moeder en een wisseling van school. Sinds april 2025 woont [minderjarige] weer bij de moeder. De moeder is op dit moment stabiel en recent is zij ook bevallen van een baby. De kinderrechter is van oordeel dat de ondertoezichtstelling nodig blijft om zicht te houden op [minderjarige] en zijn opvoedsituatie en om de ingezette positieve lijn te bestendigen.
5.5.
Gelet op de stappen die nog moeten worden genomen, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden verlengen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de ingezette positieve lijn wordt bestendigd en de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] wordt weggenomen. Hiervoor is het nodig dat de GI zicht blijft houden op [minderjarige] en zijn ontwikkeling en blijft kijken of en wat [minderjarige] en zijn ouders nodig hebben en dat er passende hulpverlening voor [minderjarige] , de moeder en/of de vader wordt ingezet als blijkt dat dat nodig is. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij verder gaan met het OSB-traject en concrete afspraken over onder meer [minderjarige] en de oudercommunicatie met elkaar gaan maken.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 oktober 2025 en tot 12 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 door mr. Van der Velde, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.