ECLI:NL:RBZWB:2025:7136

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439671 / JE RK 25-1649
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreiging ontwikkeling en opvoedsituatie

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2009, vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling. De minderjarige was eerder tijdelijk uit huis geplaatst, maar woont nu weer bij zijn moeder en haar partner. De kinderrechter constateert zorgen over verbale en mogelijk fysieke agressie van de partner van de moeder, gedragsproblemen en mogelijk drugsgebruik van de minderjarige, en onvoldoende zicht op de thuissituatie door de jeugdbeschermer.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en staat open voor hulpverlening, maar heeft nog onvoldoende kunnen profiteren van de geboden hulp. De kinderrechter acht vrijwillige hulpverlening niet toereikend en acht een gedwongen kader noodzakelijk. De ondertoezichtstelling wordt daarom voor de duur van een jaar toegewezen, met als doel het creëren van een veilige en stabiele opvoedsituatie, het verkrijgen van inzicht in de gehechtheidsrelaties en het inzetten van passende hulpverlening.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen, en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak. De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling de opdracht regie te voeren en de belangen van de minderjarige te bewaken.

Uitkomst: Minderjarige wordt voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439671 / JE RK 25-1649
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S.J. Nijssen uit Goes.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, ontvangen op 9 september 2025;
  • het Raadsrapport, ontvangen op 6 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 juli 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 14 juli 2025 en tot 28 juli 2025 en een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 juli 2025 en tot 28 juli 2025, zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2025 de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 oktober 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 oktober 2025.
2.5.
Bij beschikking van 19 september 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om voor [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlenen afgewezen en tevens de bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 juli 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 oktober 2025 ingetrokken.
2.6.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de Raad toegelicht dat er nog steeds veel zorgen zijn die onder andere zien op het mogelijk huiselijk geweld en de verbale agressie in de thuissituatie door de partner van de moeder. Ook maakt de Raad zich zorgen om het gedrag en drugsgebruik van [minderjarige] . Daar komt bij dat er nog steeds geen volledig zicht op de thuissituatie van [minderjarige] is en er nog geen hulpverlening is ingezet. De Raad vindt het wel positief om te horen dat de moeder tijdens de zitting aangeeft dat zij openstaat voor hulpverlening, net als dat het volgens de moeder beter met [minderjarige] gaat. Het belangrijkste is dat er zicht komt op de opvoedsituatie en dat er passende hulpverlening wordt ingezet, zodat de zorgen kunnen worden weggenomen en er rust komt.
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat de moeder het liefst geen ondertoezichtstelling wil, maar dat zij wel bereid is om mee te werken en openstaat voor elke vorm van hulpverlening. Om die reden kan de moeder instemmen met het verzoek. Ook zodat door de ondertoezichtstelling duidelijk wordt dat er geen zorgen zijn dan wel zodat de zorgen kunnen worden weggenomen en er rust voor het hele gezin komt. Anders dan voorheen heeft de moeder op dit moment geen zorgen over [minderjarige] . Zijn gedrag is veranderd en het gaat nu goed met hem. [minderjarige] is geschrokken van de uithuisplaatsing bij [jeugdzorg] . De moeder vindt het verder belangrijk dat [minderjarige] thuis blijft wonen en dat er rust komt. Op dit moment is er veel stress, angst en onzekerheid. Tot slot heeft de advocaat benoemd dat de partner van de moeder temperamentvol en direct is, maar dat ook door de Raad is gesteld dat er geen reden voor onveiligheid in het contact en samenwerking met de partner is.
4.3.
De GI stelt dat er veel zorgen zijn en dat zij achter het verzoek van de Raad staan. Het is positief dat de moeder aangeeft dat zij openstaat voor hulpverlening. Het gezin is aangemeld voor MST-CAN en staat op de wachtlijst. Verder heeft de GI vanwege verbale agressie van de partner van de moeder een aanvraag bij het LET-team ingediend, maar dit is afgewezen. De GI zal intern kijken welke jeugdbeschermer voor het gezin geschikt is.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur een jaar, te weten met ingang van 9 oktober 2025 en tot 9 oktober 2026. Hij legt dit hierna uit.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] van 19 juni 2025 tot 19 september 2025 middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij [jeugdzorg] heeft gewoond en dat hij op dit moment weer bij zijn moeder en haar partner woont. De kinderrechter maakt zich zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij zijn moeder en haar partner en zijn emotionele en fysieke veiligheid. Het is de kinderrechter gebleken dat de partner van de moeder verbaal geweld richting [minderjarige] (en de hulpverlening) gebruikt en dat er ook signalen van fysiek geweld zijn. Eerder hebben de moeder en [minderjarige] ook aangegeven dat er sprake is (geweest) van huiselijk geweld, maar dat ontkennen zij op dit moment. Het is onduidelijk of het de moeder lukt om [minderjarige] te beschermen tegen het (verbale) geweld van haar partner. De GI heeft binnen de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige] gekregen. Dat vindt de kinderrechter zorgelijk. Daarnaast heeft de kinderrechter zorgen over het gedrag van [minderjarige] . Het is gebleken dat [minderjarige] zich onttrekt aan het gezag, zich niet aan afspraken houdt, wegloopt en zelfbepalend is. Ook zou [minderjarige] mogelijk drugs gebruiken en mogelijk hierin dealen en zijn er zorgen over het netwerk waarin [minderjarige] zich bevindt, zeker gelet op dat [minderjarige] beïnvloedbaar en kwetsbaar is. Moeder zegt overigens dat het nu goed gaat met [minderjarige] en hij zijn gedrag heeft veranderd.
5.4.
Verder is door en namens de moeder aangegeven dat zij openstaat voor elke vorm van hulpverlening en dat zij bereid is om mee te werken. De kinderrechter vindt dat positief om te horen, maar stelt tegelijktijdig vast dat de moeder van de aangeboden hulpverlening nog onvoldoende heeft kunnen profiteren en daarmee niet in staat is gebleken om zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Om die reden is de kinderrechter van oordeel dat hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende toereikend zal zijn en dat een regievoerder in het gedwongen kader noodzakelijk is.
5.5.
De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het Raadsrapport en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
  • [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele, voorspelbare en duidelijke opvoedingssituatie;
  • Er is meer zicht ontstaan op de kwaliteit van de gehechtheidsrelaties van [minderjarige] (moeder) en indien nodig wordt hiervoor passende hulpverlening ingezet;
  • Er is zicht op de opvoedsituatie bij moeder en op de veiligheidsrisico’s;
  • [minderjarige] is geen getuige van de eventuele problemen tussen moeder en dhr. [persoon] en de onveiligheid die dit met zich mee brengt;
  • [minderjarige] ontwikkelt zich naar zijn mogelijkheden;
  • Er is zicht op signalen van trauma en of er signalen zijn van hechtingsproblematiek bij [minderjarige] en wordt zo nodig onderzoek naar gedaan en begeleiding op ingezet;
  • Moeder accepteert de nodige hulpverlening en stelt zich begeleidbaar op;
  • Moeder komt gemaakte (hulpverlenings)afspraken na.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige] te bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op korte termijn zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige] en op de opvoedvaardigheden van de moeder, de onderlinge relaties/interacties binnen het gezin en de communicatiepatronen en verwacht van de GI dat er passende hulpverlening wordt ingezet als blijkt dat dat nodig is. Van de moeder (en haar partner) verwacht de kinderrechter dat zij met de GI en hulpverlening zullen samenwerken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 9 oktober 2025 en tot 9 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.