ECLI:NL:RBZWB:2025:7144

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/433665 / JE RK 25-590
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ondertoezichtstelling wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging van minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen tot 14 april 2026. De kinderen vertonen ernstige ontwikkelingsachterstanden, met name het oudste kind dat een forse taal- en motorische achterstand heeft en negatief aandachtzoekend gedrag vertoont. De moeder woont met de kinderen in een moeder-kindhuis zonder duurzame huisvesting en heeft een onzekere financiële situatie.

De moeder heeft beperkte ondersteuning vanuit het sociale netwerk en de leerbaarheid van de moeder is onzeker. De verblijfsvergunning voor de moeder en kinderen is nog niet toegekend, wat onzekerheid schept over hun verblijfsstatus in Nederland. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de ontwikkeling van de kinderen te volgen en de bedreigingen weg te nemen.

De kinderrechter oordeelt dat de situatie in de afgelopen zes maanden nauwelijks is verbeterd en dat de ondertoezichtstelling daarom verlengd moet worden. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De moeder kan met de kinderen voorlopig in het moeder-kindhuis blijven, met mogelijke verlenging na november 2025.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 14 april 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/433665 / JE RK 25-590
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[ouder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda;
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.

1.Het nader verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 14 april 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de Raad van 2 september 2025.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (via teams) en haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van de moeder van het moeder-kindhuis [moeder-kindhuis] , mevrouw [persoon] , als toehoorder.

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 april 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 april 2025 tot 14 oktober 2025. De behandeling van het verdere verzoek is aangehouden tot 11 september 2025 pro forma in afwachting van een verslag van de Raad over de actuele stand van zaken.
Het verzoek
2.2.
Aan de orde is het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 14 april 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten
2.3.
De Raad handhaaft het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De zorgen zijn nog niet weggenomen. Bij [minderjarige 1] is sprake van een forse achterstand in de taalspraakontwikkeling en de fijne motoriek. De moeder onderschat zijn ontwikkelingsachterstand. [minderjarige 1] gaat sinds kort naar het [hulpverlening] voor een beperkt aantal uren per dag. Meer kan hij nog niet aan. Hij vertoont opvallend dwars en dwingend gedrag. Het is ook nog niet duidelijk hoe leerbaar de moeder is en of het haar gaat lukken om alles alleen te regelen. Er is ook nog niets bekend over de verblijfsvergunning van de moeder. De kinderen zijn nu verzekerd via de GI. De moeder kan met de kinderen voorlopig nog in het moeder-kindhuis van [moeder-kindhuis] blijven.
2.4.
De GI heeft aangegeven dat de ondertoezichtstelling van de kinderen nog noodzakelijk is. De ontwikkeling van de kinderen moet nog gevolgd worden. Er dient nog meer zicht te komen op de ontwikkelingsachterstand bij [minderjarige 1] . De IND heeft de GI gevraagd te laten weten welke beslissing de kinderrechter over het verzoek heeft genomen. De GI stemt in met het verdere verzoek.
2.5.
De moeder heeft aangegeven dat ze laatst nog extra informatie aan de IND heeft moeten geven voor de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het is niet bekend hoelang het nog gaat duren. Ze heeft regelmatig telefonisch contact met de vader van de kinderen, die nog in Suriname verblijft.
De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat de moeder inziet dat [minderjarige 1] in zijn ontwikkeling achterloopt. De moeder woont sinds kort met de kinderen in een zelfstandigheidshuis van [moeder-kindhuis] . Zij heeft geen duurzame, eigen huisvesting. Haar financiële situatie is niet stabiel. De ernstige ontwikkelingsbedreiging is bij de kinderen nog onverminderd aanwezig. Zij heeft de begeleiding van de GI nodig om de noodzakelijke dingen omtrent de kinderen te regelen. De samenwerking met de jeugdbeschermer verloopt goed. De kans op de verblijfsvergunning is schijnbaar groter nu de kinderen onder toezicht staan, maar het is onbekend hoe lang het nog duurt voordat er duidelijkheid wordt gegeven. De moeder kan instemmen met de verdere ondertoezichtstelling.
De begeleidster van de moeder heeft aangegeven dat de moeder met de kinderen langer bij [moeder-kindhuis] kan blijven. Het kan na november 2025 nog verlengd worden met een half jaar.
De beoordeling door de kinderrechter
2.6.
De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en de kinderen onder toezicht stellen voor de verdere duur van zes maanden, tot 14 april 2026. Er is in de afgelopen zes maanden namelijk weinig veranderd. De zorgen over de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog onverminderd aanwezig. Er is geen sprake van een duurzame huisvesting, er is geen financiële zekerheid en er is weinig ondersteuning vanuit een sociaal netwerk. De moeder verblijft met de kinderen in het moeder-kindhuis [moeder-kindhuis] . Zij kan daar de komende maanden gelukkig ook nog blijven. [minderjarige 1] heeft een forse ontwikkelingsachterstand en hij vraagt regelmatig op een negatieve manier de aandacht. De moeder onderschat deze zorg. [minderjarige 1] gaat sinds kort een beperkt aantal uren per dag naar het [hulpverlening] . Er moet nog meer zicht komen op de zorgen over [minderjarige 1] . Daarnaast moet er nog meer zicht komen op de pedagogische vaardigheden en de leerbaarheid van de moeder. Ook is er onduidelijkheid of de moeder met de kinderen een verblijfsvergunning zal krijgen. Dit zal bepalen of de moeder in Nederland mag blijven of met de kinderen terug moet keren naar Suriname. De ondertoezichtstelling is nog noodzakelijk, aangezien de moeder onvoldoende in staat is de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen zelf weg te nemen.
2.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
2.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De kinderrechter:
3.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 14 oktober 2025 tot 14 april 2026;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.