ECLI:NL:RBZWB:2025:7145

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 september 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/420720 / FA RK 24-1514
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:250 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende toestemming erkenning en aanhouding gezags- en omgangsverzoeken in familiezaken

In deze zaak verzoekt de man vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, gezamenlijk ouderlijk gezag, een omgangsregeling en een informatieregeling. De vrouw verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt een onderhoudsbijdrage.

De rechtbank heeft partijen verwezen naar een hulpverleningstraject bij Sterk Huis, dat nog niet is afgerond. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de omgang tussen de man en de minderjarige stagneert sinds het wegvallen van de omgangsbegeleiding, mede door terugval van de man in oude patronen. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming constateren een loyaliteitsconflict bij de minderjarige.

De rechtbank besluit de vervangende toestemming voor erkenning toe te wijzen, omdat geen weigeringsgronden zijn gebleken en dit in het belang van het kind is. De overige verzoeken over gezag, omgang en levensonderhoud worden aangehouden in afwachting van het hulpverleningstraject. Tevens wordt een voorlopige informatieregeling vastgesteld waarbij de vrouw de man maandelijks informeert over belangrijke ontwikkelingen van de minderjarige.

De rechtbank benadrukt de noodzaak van actieve medewerking van partijen aan het hulpverleningstraject en waarschuwt dat bij uitblijven van voortgang een ondertoezichtstelling onvermijdelijk kan zijn.

Uitkomst: Vervangende toestemming erkenning toegekend, overige verzoeken aangehouden en voorlopige informatieregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/420720 / FA RK 24-1514
Uitspraakdatum: 16 september 2025
Nadere beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gezag, omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Huseinovic te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Hissink te Tilburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige]geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
Als bijzondere curator voor [minderjarige] is benoemd: mr. J. Nederlof te Tilburg,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de (resterende) verzoeken te adviseren.
1. Het nadere procesverloop
1.1. Het nadere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 6 juni 2024 met alle daarin genoemde stukken;
  • de tussenrapportage UHA vanuit de zorgaanbieder Sterk Huis van 29 juli 2024;
  • het e-mailbericht met bijlagen van de bijzondere curator van 5 november 2024;
  • de e-mailberichten van mevrouw [persoon 1] van [hulpverlening] van 29 november 2024 en 3 december 2024;
  • het F9-formulier van mr. Hissink van 3 december 2024;
  • het e-mailbericht van de griffier van deze rechtbank aan mr. Hissink, mr. Huseinovic, de bijzondere curator en Sterk Huis van 13 maart 2025;
  • het e-mailbericht van mr. Hissink van 26 maart 2025;
  • het e-mailbericht van mevrouw [persoon 2] van Sterk Huis van 8 april 2025;
  • het e-mailbericht van de bijzondere curator van 16 april 2025;
  • het e-mailbericht van mr. Huseinovic van 16 april 2025;
  • het e-mailbericht van mr. Huseinovic van 30 juni 2025;
  • het e-mailbericht van mr. Hissink van 30 juni 2025;
  • de e-mailberichten van mevrouw [persoon 2] van Sterk Huis van 30 juni 2025;
  • het e-mailbericht van de bijzondere curator van 1 juli 2025;
  • het e-mailbericht van mevrouw [persoon 1] van [hulpverlening] van 19 augustus 2025;
  • het e-mailbericht met bijlage van de bijzondere curator van 20 augustus 2025;
  • het F9-formulier van mr. Hissink van 27 augustus 2025;
  • het F9-formulier van mr. Huseinovic van 28 augustus 2025.
1.2. Bij voornoemde beschikking van 6 juni 2024 zijn partijen verwezen naar hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Partijen zijn onder toezicht van [hulpverlening] een hulpverleningstraject bij Sterk Huis aangegaan. De verwijzing in het kader van het UHA is nog steeds van kracht en het hulpverleningstraject bij Sterk Huis is nog niet afgerond.
1.3. De rechtbank behandelt de verzoeken binnen het “Project Wijkrechtspraak familiezaken”, zoals opgenomen in voornoemde beschikking van 6 juni 2024. De nadere mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de man, bijgestaan door mr. Huseinovic;
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Hissink;
  • de bijzondere curator;
  • mevrouw [persoon 3] , als vertegenwoordigster van de Raad;
  • mevrouw [persoon 2] en mevrouw [persoon 4] , medewerksters van Sterk Huis;
  • mevrouw [persoon 5] , medewerkster van [hulpverlening] .

2.De nadere feiten

2.1.
Bij beschikking van 6 juni 2024 heeft de rechtbank partijen verwezen naar hulpverlening in het kader van het UHA. De rechtbank heeft de inhoudelijke behandeling van de verzoeken pro forma aangehouden tot 20 augustus 2024 in afwachting van het verloop en het resultaat van de hulpverlening. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 juni 2024 voorlopig wordt vastgesteld op € 97, = per maand.
2.2.
Bij diezelfde beschikking van 6 juni 2024 is mr. Nederlof als bijzondere curator voor [minderjarige] benoemd om te onderzoeken in hoeverre de verzoeken van partijen in het belang van [minderjarige] moeten worden geacht.
2.3.
Sterk Huis heeft op 29 juli 2024 een tussenrapportage verstrekt waaruit blijkt dat de resultaten van het hulpverleningstraject nog niet zijn behaald. [hulpverlening] heeft verzocht de pro forma datum van 20 augustus 2024 te verzetten. De pro forma datum is naar aanleiding daarvan verplaatst naar 6 mei 2025.
2.4.
De bijzondere curator heeft op 5 november 2024 zijn verslag van bevindingen ingediend. De bijzondere curator adviseert, kort samengevat, dat het belang van [minderjarige] is gediend bij toewijzing van het afstammingsverzoek. Daarnaast adviseert de bijzondere curator, kort samengevat, dat het in het belang van [minderjarige] is dat de partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over hem worden belast. Tot slot heeft de bijzondere curator, namens [minderjarige] , een zelfstandig verzoek gedaan om een voorlopige omgangsregeling vast te leggen.
2.5.
Mr. Hissink heeft op 3 december 2024 gereageerd op de verslagen van de bijzondere curator. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de vrouw het traject bij Sterk Huis wenst af te wachten alvorens er sprake kan zijn van onbegeleid omgang, erkenning en gezamenlijke gezagsuitoefening. Het ingediende verzoek van de bijzondere curator met betrekking tot de omgangsregeling is te prematuur. Sterk Huis moet de onbegeleide omgangsmomenten nog vorm gaan geven.
2.6.
De rechtbank heeft mr. Hissink, mr. Huseinovic, de bijzondere curator en Sterk Huis op 10 maart 2025 verzocht om een standpunt in te nemen of de behandeling van de zaak kan worden aangehouden tot het hulptraject is afgerond of dat er behoefte is aan het treffen van tussentijdse maatregelen door de rechtbank. Indien betrokkenen behoefte hebben aan het treffen van tussentijdse maatregelen, stelt de rechtbank voor een telefonisch overleg in te plannen.
2.7.
Uit de berichten van mr. Hissink, mr. Huseinovic, de bijzondere curator en Sterk Huis volgt dat de eindrapportage van Sterk Huis naar verwachting in augustus 2025 zal volgen. Alle betrokkenen gaan akkoord met een aanhouding in afwachting van de eindrapportage. Mr. Huseinovic heeft verzocht een telefonisch overleg in te plannen om te bespreken of er tussentijdse maatregelen genomen moeten worden.
2.8.
Op 30 juni 2025 heeft er een telefonisch overleg plaatsgevonden met de rechtbank en betrokkenen. Daarbij waren mr. Hissink, mr. Huseinovic, de bijzondere curator, mevrouw [persoon 6] van [hulpverlening] en mevrouw [persoon 2] van Sterk Huis aanwezig. Tijdens het telefonisch overleg is gebleken dat er een positieve ontwikkeling zichtbaar was, maar dat de situatie in korte tijd spaak is gelopen en de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] is stopgezet. De rechtbank heeft tijdens het telefonisch overleg bepaald dat hij partijen zo spoedig mogelijk wil spreken om te overleggen hoe het traject weer doorgang kan vinden. Aan [hulpverlening] heeft de rechtbank verzocht om voor de mondelinge behandeling te onderzoeken of de huidige hulpverlening vanuit Sterk Huis voldoende is of dat het nodig is om een meer gespecialiseerde vorm van hulpverlening in te zetten. De advocaten van partijen hebben toegezegd in de tussentijd te bespreken of er een informatievoorziening op kan worden gestart en omgang onder begeleiding van Sterk Huis kan plaatsvinden.
2.9.
Naar aanleiding van het telefonisch overleg op 30 juni 2025 heeft de rechtbank onderhavige mondelinge behandeling gepland en de man met mr. Huseinovic, de vrouw met mr. Hissink, de bijzondere curator, een vertegenwoordiger van de Raad, mevrouw [persoon 2] van Sterk Huis en een medewerker van [hulpverlening] opgeroepen om daarbij aanwezig te zijn.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt, samengevat:
  • te bepalen dat hij vervangende toestemming krijgt voor de erkenning van [minderjarige] ;
  • te bepalen dat hij tezamen met de vrouw wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
  • vaststelling van een (opbouwende) omgangsregeling, waarbij wordt toegewerkt naar een regeling waarbij hij gerechtigd is tot omgang gedurende iedere week één dag na schooltijd tot en met 19.00 uur alsmede ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot en met zondag 18.00 uur en de helft van de vakantie en feestdagen;
  • vaststelling van een informatieregeling, waarbij hij maandelijks door de vrouw wordt geïnformeerd over [minderjarige] .
3.2.
De vrouw voert daartegen verweer. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw, samengevat:
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige]
voorlopig en met ingang van 1 juni 2023ter hoogte van € 200,= per maand en
definitiefter hoogte van € 300,= per maand.
3.3.
Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft de bijzondere curator in zijn verslag van bevindingen van 5 november 2024 namens [minderjarige] verzocht een voorlopige omgangsregeling vast te leggen. Bij bericht van 20 augustus 2025 heeft de bijzondere curator dit verzoek namens [minderjarige] ingetrokken.

4.De beoordeling

Analyse naar aanleiding van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2025
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is tussen alle aanwezigen een dialoog op gang gekomen met als voornaamste doel om vast te stellen wat er precies aan de hand is. In grote lijnen valt de voorliggende problematiek in twee onderdelen uiteen: de relatie tussen [minderjarige] en de man én de individuele en/of systematische problematiek van partijen.
De relatie tussen [minderjarige] en de man
4.2.
Wat de relatie tussen [minderjarige] en de man betreft, is het navolgende gebleken. De omgangmomenten tussen [minderjarige] en de man verliepen positief maar vanaf het moment dat de omgangsbegeleiding wegviel, is de situatie snel achteruitgegaan. De vrouw voert aan dat zij de omgang stop heeft gezet in belang van [minderjarige] . De man viel namelijk weer terug in zijn oude patronen en belastte [minderjarige] met negatieve uitlatingen over de vrouw. De man voert aan dat hij niet altijd weet hoe hij de vragen van [minderjarige] moet beantwoorden, maar dat hij nimmer belastend over de vrouw heeft gesproken. De man betreurt het dat de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] weer terug bij af zijn. De bijzondere curator gaat er van uit dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt. Hij heeft veel vragen over zijn gezinssysteem en zodra hij een, in zijn ogen, negatief of onbegrijpelijk antwoord krijgt, heeft dit veel impact op hem. Het is van belang dat de man en [minderjarige] , en waar nodig de vrouw, gaan werken aan het beantwoorden van de vragen van [minderjarige] op een bij hem passende wijze. De Raad sluit zich aan bij het standpunt van de bijzondere curator.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is overeenstemming ontstaan over de wijze waarop met deze problematiek om moet worden gegaan. Er is hulpverlening nodig gericht op de vragen die bij [minderjarige] spelen én de relatie tussen [minderjarige] en de man. Gebleken is dat het hulpverleningstraject bij Sterk Huis een jaar lang goed is gegaan en de omgangsmomenten op positieve wijze hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat Sterk Huis de juiste hulpverlening kan bieden voor deze problematiek. Bovendien heeft Sterk Huis aangegeven individuele hulpverlening voor [minderjarige] en de man in te kunnen zetten. Sterk Huis acht vaktherapie gericht op emotiebeleving en -regulatie passend voor [minderjarige] omdat hij met veel vragen zit. Voor de man is deze vorm van hulpverlening geschikt om hem te begeleiden in hoe hij [minderjarige] kan bejegenen en antwoord kan geven op zijn vragen.
4.4.
In deze beschikking zal de rechtbank [minderjarige] (en voor zover nodig partijen) dan ook verwijzen naar Sterk Huis zodat de door Sterk Huis geformuleerde hulpverlening ingezet kan worden. [hulpverlening] heeft bij de mondelinge behandeling aangegeven deze verwijzing te ondersteunen. Nu Sterk Huis en [hulpverlening] nauw bij [minderjarige] en partijen betrokken zijn, overweegt de rechtbank dat de verwijzing en de onderbouwing daarvan kan worden aangepast naar gelang wat partijen en [minderjarige] nodig hebben. Het doel is in ieder geval om de verhouding tussen de man en [minderjarige] weer ten positieve in te vullen zodat de gestagneerde omgang hervat kan worden. De rechtbank zal op dit moment dan ook geen omgangregeling vastleggen nu Sterk Huis alle ruimte nodig heeft om de omgang op passende wijze te hervatten.
De individuele en/of systematische problematiek van partijen
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de drie belangrijkste basisregels, voor ouders die uit elkaar zijn, voorgehouden. Deze regels luiden als volgt:
ervaart een ouder een probleem dan aanvaardt de andere ouder dat dat probleem er mag zijn;
het tempo waarin naar doelen wordt toegewerkt wordt bepaald door de traagste;
investeer positief in de andere ouder.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat voornamelijk het derde punt in deze zaak ingewikkeld is. Als het partijen lukt om positief in elkaar te investeren, zal er eerder een gezond systeem ontstaan en hulpverlening niet meer nodig zijn. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat bij (een van) partijen de motivatie ontbreekt om aan dit systematische onderdeel te werken. Dit verwondert de rechtbank niet omdat het er sterk op lijkt dat partijen individueel ook nog stappen te zetten hebben. [hulpverlening] , Sterk Huis én de Raad hebben gesteld dat er mogelijk sprake is van beperkte leerbaarheid bij de man. Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, is het nog onduidelijk waar deze beperkte leerbaarheid vandaan komt. Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat er sprake is van onverwerkte traumaproblematiek aan de zijde van de vrouw. Zonder duidelijkheid daarover en aansluitende hulpverlening voor de individuele problematiek van partijen, is het risico aanwezig dat partijen terug blijven vallen in hun oude patronen.
4.7.
De rechtbank ziet hierin een opdracht voor beide partijen om aan zichzelf te werken. Welke opdracht dat precies is, is voor beiden verschillend en zal onderzocht moeten worden. [hulpverlening] heeft tijdens de mondelinge behandeling het aanbod gedaan dit onderzoek met partijen te willen verrichten door met beide partijen, afzonderlijk van elkaar, in gesprek te gaan over wat voor hem/haar in de gegeven situatie de meest passende hulpverlening zou zijn. [hulpverlening] en Sterk Huis hebben gemeld dat zij betwijfelen of Sterk Huis deze hulpverlening voor partijen kan bieden. De rechtbank onderschrijft dit standpunt en verzoekt [hulpverlening] dan ook zorgvuldig op zoek te gaan naar passende hulpverlening voor de (individuele) hulpvraag van de ouders. In het kader van Wijkrechtspraak familiezaken is ook afgesproken dat [hulpverlening] in dit soort kwesties de regie zal oppakken en voeren.
4.8.
De rechtbank verwacht dat ten minste één van de ouders het traject met [hulpverlening] aan zal gaan, maar hoopt dat beide ouders zich hiertoe kunnen zetten. Als beide partijen geen individueel hulptraject aangaan, dient daarvan terugmelding plaats te vinden aan de Raad, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de advocaten van partijen en de rechtbank. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek zal worden verricht en een interventie zal worden geadviseerd.
4.9.
Nu partijen en [minderjarige] nog steeds in de gelegenheid worden gesteld om deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject, beslist de rechtbank nog niet definitief op de verzoeken met betrekking tot het gezag, de omgangsregeling en de informatieregeling, maar houdt hij de beslissing daarover aan voor de duur van negen maanden, mede gelet op de wachtlijsten van de hulpverleningstrajecten. De rechtbank verzoekt [hulpverlening] om een volledige rapportage uiterlijk op
na te melden pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. De procedure die dan verder gevolgd dient te worden in het kader van het UHA, is al uiteengezet in de in deze zaak gegeven beschikking van 6 juni 2024.
4.10.
Tot slot merkt de rechtbank nog op dat er een actieve houding van partijen wordt verlangd, met name in de omgangskwestie. Als de omgang blijft stagneren, lijkt een ondertoezichtstelling onvermijdelijk. De vanaf het begin af aan gesignaleerde problematiek zal dan als onoplosbaar binnen het vrijwillig kader worden aangemerkt. De problematiek reikt ook verder dan enkel de omgang tussen de man en [minderjarige] .
Voorlopige informatieregeling
4.11.
De man heeft zijn zorgen geuit over de omgang tussen hem en [minderjarige] gedurende het hulpverleningstraject, voornamelijk nu de wachttijden van de hulpverlening op kunnen lopen tot zes maanden. Zoals in rechtsoverweging 4.4. overwogen, zal de rechtbank geen omgangregeling vaststellen en de regie over de omgang bij Sterk Huis beleggen. De advocaten van partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken om in overleg te treden over een voorlopige informatieregeling. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat partijen de rechtbank informeren of zij een informatieregeling overeen zijn gekomen. Bij een verschil in inzicht hebben partijen ingestemd dat de rechtbank een beslissing over de informatieregeling zal nemen.
4.12.
Bij bericht van 27 augustus 2025 heeft de vrouw voorgesteld dat zij de man eens per kwartaal per e-mail zal informeren. Bij bericht van 28 augustus 2025 heeft de man aangegeven niet te kunnen instemmen met de door de vrouw voorgestelde regeling. De man geeft aan dat er het afgelopen jaar goed contact is geweest tussen hem en [minderjarige] en dat het niet in het belang van [minderjarige] zou zijn om de informatievoorziening op die manier te beperken. De man verzoekt dan ook dat de vrouw de man tweemaal per maand informatie verstrekt.
4.13.
Nu partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, zal de rechtbank een voorlopige informatieregeling vaststellen. De rechtbank volgt het standpunt van de man dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat de man slechts eens per kwartaal informatie over hem ontvangt. Ook in het kader van de hulpverlening die ingezet gaat worden, acht de rechtbank het van belang dat de man weet wat er in het leven van [minderjarige] speelt zodat hij bij [minderjarige] aan kan sluiten. Het verzoek van de man om tweemaal per maand informatie te ontvangen, acht de rechtbank echter niet praktisch. Het is aannemelijk dat de vrouw over onvoldoende informatie beschikt om de man iedere twee weken van informatie te voorzien. Gelet op het voorgaande en hierbij betrekkende dat de vrouw momenteel het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] passend dat de vrouw de man voorlopig
maandelijksinformeert over de medische ontwikkeling van [minderjarige] , zijn ontwikkeling op school, zijn sociale en cognitieve ontwikkeling en over belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] . Daarbij zal de vrouw ook een recente foto van [minderjarige] voegen. Nu de man zich, buiten de frequentie van de informatieregeling, niet heeft uitgelaten over de wijze van informeren, zal de rechtbank daarin het verzoek van de vrouw volgen. De vrouw zal de man, aanvankelijk en voorlopig via de advocaten, per e-mail informeren. Het is de man niet toegestaan om op de door hem verkregen informatie te reageren.
4.14.
De rechtbank benadrukt dat hetgeen is beslist een
voorlopig karakter draagt, totdat partijen, bij het aangewezen hulpverleningstraject, tot definitieve afspraken zijn gekomen dan wel de rechtbank definitief op de verzoeken beslist.
Vervangende toestemming erkenning
4.15.
Op grond van artikel 1:204, derde lid, onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is.
4.16.
De rechtbank overweegt, met het oog op de bovengenoemde bepaling alsmede artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 7 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het in het belang van een kind moet worden geacht dat het in een familierechtelijke relatie tot zijn of haar biologische ouders staat en dat de juridische situatie in overeenstemming is met de biologische werkelijkheid. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De rechtbank gaat daarom uit van dat gegeven. Dit betekent dat het verzoek van de man om hem, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen in beginsel moet worden toegewezen, tenzij er sprake is van één of beide in artikel 1:204 lid 3 BW Pro genoemde weigeringsgronden. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van één of meerdere voornoemde weigeringsgronden. Bovendien heeft de bijzondere curator geadviseerd de vervangende toestemming tot erkenning te verlenen.
4.17.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan voormelde wettelijke vereisten voor het verlenen van vervangende toestemming aan de man voor erkenning van [minderjarige] . De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de man dan ook toewijzen.
Beëindiging taak van de bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW Pro
4.18.
Nu de rechtbank een eindbeslissing heeft genomen over voormeld verzoek tot vervangende toestemming erkenning, beschouwt de rechtbank de taak van de bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW Pro als beëindigd. Indien (één van) partijen hoger beroep instelt tegen voormelde beslissing, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. Voor de volledigheid overweegt de rechtbank dat de bijzondere curator wel benoemd blijft op grond van artikel 1:250 BW Pro in het kader van de resterende voorliggende verzoeken.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent toestemming aan de man, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, tot het erkennen van de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] ;
5.2.
beschouwt de taak van de bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW Pro als beëindigd;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw de man,
voorlopig, eenmaal per maand zal informeren over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige] op de wijze zoals is overwogen in rechtsoverweging 4.13;
5.4.
houdt de behandeling van deze zaak aan tot
1 mei 2026 PRO FORMA, in afwachting van rapportage van [hulpverlening] over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.9;
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 september 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.