ECLI:NL:RBZWB:2025:7147

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439247 / JE RK 25-1571
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:262b BWArt. 1:263 BWArt. 1:264 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met complexe zorgbehoefte

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 oktober 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met een zeldzame genetische aandoening, gedragsproblematiek en ontwikkelingsachterstand. De minderjarige verblijft momenteel in een jeugdhulpaccommodatie, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn om te voorzien in zijn bijzondere opvoedingsbehoefte.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft een perspectiefbesluit genomen dat de minderjarige niet zal opgroeien bij de moeder of vader, ondanks dat nog geen passende plek is gevonden. De moeder heeft een gezinsopname voorgesteld, maar de kinderrechter acht dit niet in het belang van de minderjarige vanwege het risico op onrust en onduidelijkheid. De kinderrechter verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een perspectiefonderzoek uit te voeren.

De vader heeft verzocht om een contactregeling, maar dit verzoek is niet ontvankelijk verklaard omdat er geen wettelijke grondslag voor is en er geen geschil met de GI bestaat. De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad en houdt een deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot ontvangst van het adviesrapport van de Raad.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd, een perspectiefonderzoek wordt bevolen en het verzoek van de vader tot contactregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439247 / JE RK 25-1571
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.T.A.G Keller uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M. Hofland uit Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 augustus 2025;
  • de brief van 1 oktober 2025 van de advocaat van de vader.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
De vader was niet aanwezig op de zitting.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van moeder van [hulpverlening 1] , mevrouw [persoon] , als toehoorder.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 24 oktober 2024 tot 24 oktober 2025.
2.3.
[minderjarige] verblijft middels de machtiging uithuisplaatsing bij [accommodatie] in [plaats 1] .

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vader heeft als zelfstandig verzoek verzocht om een beslissing te nemen over de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader, inhoudende wekelijks beeldbellen en dat er toegewerkt wordt naar een contactregeling van eenmaal per veertien dagen vier uur begeleid contact op locatie, en deze vast te leggen in de beschikking.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangegeven dat er bij [minderjarige] sprake is van meervoudige, complexe ontwikkelings- en gedragsproblematiek. Hij heeft een kwetsbare gezondheid door een zeldzame genetische aandoening. Hij heeft daarvoor intensieve begeleiding en continue monitoring nodig. Er is daarnaast bij [minderjarige] sprake van forse gedragsproblematiek met fysieke agressie en extreme impulsiviteit. [minderjarige] heeft een forse ontwikkelingsachterstand; hij functioneert sociaal op een leeftijd van 2,5 jaar. [minderjarige] wordt snel emotioneel overspoeld door prikkels en emoties die hij niet zelf kan reguleren. Daardoor is hij snel overvraagd met als gevolg ontregeling en escalaties. Er zijn vermoedens van hechtingsproblematiek en traumatische ervaringen. [minderjarige] heeft intensieve, specialistische begeleiding nodig van een combinatie van pedagogische en verpleegkundige zorg met rust en voorspelbaarheid. Dit maakt het lastig om een geschikt verblijf en behandelplek voor [minderjarige] te vinden. [minderjarige] verblijft nu bij [accommodatie] met begeleiding van [hulpverlening 2] , maar dat is geen duurzame plek voor hem. Verschillende organisaties hebben de aanvraag al afgewezen. Er is nu een aanvraag voor een WLZ-indicatie gedaan en CCE is betrokken voor advies. Zonder een gespecialiseerde omgeving is er een risico op ernstige ontwikkelingsschade en zelfs lichamelijk letsel bij [minderjarige] .
[minderjarige] en de moeder hebben een ouder-kindtraject gevolgd bij [organisatie] . De vader heeft zich teruggetrokken uit dit traject. De plaatsing is gestopt, omdat de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende gewaarborgd kon worden. De moeder heeft onvoldoende opvoedingsvaardigheden voor de behoeften van [minderjarige] . Er wordt ook een terugkerend patroon van weerstand tegen de hulpverlening gezien. De moeder heeft een verstandelijke beperking en een belast verleden. Zij is snel overvraagd. Terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is niet verantwoord gezien de veiligheidsrisico’s. De moeder heeft begeleide omgang met [minderjarige] .
Bij de vader is er sprake van een terugkerend patroon waarin hij telkens afstand neemt en uit contact gaat van [minderjarige] om later weer te vragen bij hem betrokken te worden. Dit is voor [minderjarige] heel ingewikkeld, mede gezien zijn kwetsbaarheid. [minderjarige] situatie is niet veranderd, terwijl hierin eerst voor de vader een reden lag om het contact te verbreken. Als de vader contact met [minderjarige] wil, is er langdurige commitment van de vader nodig.
De GI heeft per brief van 28 augustus 2025 aan de ouders laten weten dat de GI een perspectiefbesluit heeft genomen over dat [minderjarige] niet bij de moeder of de vader zal opgroeien, ook al is nog niet bekend waar hij wel zal gaan verblijven. [minderjarige] is ook hiervan op de hoogte gebracht. De GI vindt het schadelijk voor [minderjarige] als hij weer een tijdelijk traject met de moeder in een nieuwe omgeving aan moet gaan. De GI ziet bij de moeder ook geen veranderingen in vergelijking met de situatie tijdens het moeder-kindtraject bij [organisatie] . De GI kan zich vinden in een perspectiefonderzoek door de Raad.
4.2.
De moeder heeft verteld dat [minderjarige] is mishandeld op de groep bij [accommodatie] door een ander kind. Zij maakt zich hier veel zorgen over en zij heeft dit bij de GI aangegeven. [minderjarige] moet ergens anders heen. De moeder vindt dat hij op termijn wel weer bij haar thuis kan komen wonen. Ze heeft tijdens het moeder-kindtraject onvoldoende kunnen laten zien dat zij wel de zorg over hem op zich kan nemen.
De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat er geen enkel zicht is op een andere plek voor [minderjarige] . De moeder betwist dat zij niet de zorg kan dragen. De moeder is opgeleid en gediplomeerd om de thuismonitor te bedienen. Zij en [minderjarige] hebben een sterke band. Zij heeft een partner die haar goed kan ondersteunen en begeleiding door [hulpverlening 1] . Ze heeft geen eerlijke kans gehad in het moeder-kindtraject bij [organisatie] , omdat zij geen goede verhouding had met bepaalde hulpverleners daar. Nu er geen andere plek voor [minderjarige] voorhanden is, wil de moeder een nieuwe kans om te laten zien dat zij de zorg over [minderjarige] op zich kan nemen. Ze stelt daarom een gezinsopname bij [GGZ-instelling] in [plaats 2] voor. Door de intensieve observaties daar kan een beter beeld worden gekregen of de moeder in staat is de zorg over [minderjarige] te dragen. Het is de vraag of de Raad middels een perspectiefonderzoek dit goed kan vaststellen. De moeder denkt niet dat een gezinsopname schadelijk voor [minderjarige] is, omdat hij toch geen duidelijkheid heeft over waar hij verder zal gaan verblijven.
Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden toegewezen. Ten aanzien van het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing wordt namens de moeder verzocht om dit voor een periode van zes maanden toe te wijzen en het verzoek voor het overige aan te houden met de opdracht aan de GI om de moeder en [minderjarige] aan te melden voor een gezinsopname.
4.3.
Namens de vader is naar voren gebracht dat hij zich een aantal keer bewust heeft teruggetrokken uit het leven van [minderjarige] . De reden daarvan was vaak gelegen in de dynamiek tussen de ouders. [minderjarige] had daar last van en de vader wilde hem rust geven. De vader maakt zich ook wel zorgen over zijn rol als vader als [minderjarige] bij de moeder teruggeplaatst wordt. De vader is inmiddels weer in overleg met de GI gegaan. Hij is [minderjarige] een keer tegengekomen en daaruit bleek dat [minderjarige] de behoefte heeft om het contact te herstellen. De vader heeft de toezegging van de GI gehad dat zij gaan onderzoeken hoe het contactherstel langzaamaan weer kan plaatsvinden. De vader heeft aan de kinderrechter verzocht een contactregeling te bepalen. De vader stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling en kan zich vinden in beperking van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing.
4.4.
De Raad heeft geadviseerd een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] te laten uitvoeren. Het perspectief van [minderjarige] moet eerst duidelijk zijn, waarbij het belang van [minderjarige] voorop staat. [minderjarige] heeft een grote opvoedvraag. Het valt de Raad op dat beide ouders vanuit hun eigen behoefte handelen en niet vanuit de behoefte van [minderjarige] . Als het perspectief niet meer bij de moeder is, moet [minderjarige] niet blootgesteld worden aan een nieuw moeder-kindtraject.

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste Pro lid BW) is voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De combinatie van zijn medische situatie met zijn gedragsproblematiek en ontwikkelingsachterstand maakt dat hij een bijzondere opvoedingsbehoefte heeft. Er is nog steeds geen passende opgroeiplek voor hem gevonden. De inzet en regie van de GI is nog noodzakelijk om dit in goede banen te leiden. De moeder en de vader zijn het ook eens met verlenging van de ondertoezichtstelling.
5.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling daarom met een jaar.
De machtiging uithuisplaatsing
5.4.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) is voldaan. Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de GI (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
5.5.
Het is nog noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat hij uithuisgeplaatst blijft. [minderjarige] heeft een bijzondere opvoedingsbehoefte op meerdere gebieden en is zeer kwetsbaar. Er is niet alleen een risico op ernstige ontwikkelingsschade, maar zelfs op lichamelijk letsel als in de opvoedingsomgeving de medische zorg en pedagogische aanpak onvoldoende geboden wordt. De meest recente informatie is dat uit het moeder-kindtraject bij [organisatie] is gebleken dat de moeder onvoldoende de vaardigheden heeft om te voorzien in de opvoedingsbehoefte van [minderjarige] . [minderjarige] kan daarom nu niet bij de moeder thuisgeplaatst worden.
5.6.
De GI heeft het perspectiefbesluit genomen dat [minderjarige] niet zal opgroeien bij de moeder of de vader, ondanks dat er nog geen passende plek voor [minderjarige] is gevonden. De moeder heeft voorgesteld dat zij met [minderjarige] wordt geplaatst in een gezinsopname bij [GGZ-instelling] in [plaats 2] , zodat zij alsnog kan bewijzen dat zij wel de opvoeding en verzorging van [minderjarige] kan dragen. De Raad heeft echter geadviseerd een perspectiefonderzoek te laten uitvoeren. De kinderrechter zal beslissen dat de Raad (eerst) een perspectiefonderzoek zal gaan uitvoeren. De kinderrechter acht het namelijk niet in het belang van [minderjarige] dat hij op dit moment wordt geplaatst in een gezinsopname met de moeder. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [minderjarige] zeer gebaat is bij structuur en rust. Hij heeft zowel op pedagogisch vlak als op medisch vlak heel veel ondersteuning nodig. Het is, gezien de resultaten van het moeder-kindtraject bij [organisatie] , onzeker wat deze plaatsing zou gaan bieden, terwijl het voor [minderjarige] veel onrust en onduidelijkheid teweeg zou brengen. De kinderrechter begrijpt dat de GI spreekt over een mogelijk risico van ontwikkelingsschade bij [minderjarige] . De kinderrechter vindt het daarom van belang dat er eerst een perspectiefonderzoek door de Raad zal plaatsvinden en dat daarna verder gekeken wordt wat in het belang van [minderjarige] is.
5.7.
De kinderrechter verzoekt daarom de Raad om een onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] en daarover te rapporteren en adviseren. De kinderrechter verzoekt de Raad om in het onderzoek de volgende vragen te beantwoorden en daarover binnen zes maanden schriftelijk advies uit te brengen:
- Ligt het perspectief van [minderjarige] wel of niet meer bij één van de ouders?
- Zijn er nog andere zaken van belang of geeft het onderzoek de Raad nog anderszins aanleiding tot het maken van opmerkingen of het verstrekken van adviezen aan de kinderrechter?
5.8.
De kinderrechter houdt in verband met het perspectiefonderzoek door de Raad een deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot de hierna te melden pro forma datum. De Raad wordt verzocht het adviesrapport aan de rechtbank, (de advocaten van) de ouders en de GI toe te sturen.
5.9.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 oktober 2025 tot 1 juni 2026 en houdt het verzoek voor het overige aan tot een nader te plannen zitting.
5.10.
De kinderrechter zal na ontvangst van het adviesrapport van de Raad bepalen of het verdere verzoek door de kinderrechter of de meervoudige kamer van de rechtbank zal worden behandeld. Aan de advocaten en de GI wordt verzocht om uiterlijk op de pro forma datum daartoe hun verhinderdagen door te geven aan de rechtbank.
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De omgangsregeling
5.12.
De vader heeft als zelfstandig verzoek verzocht een contactregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen. Het is onvoldoende onderbouwd op welke wettelijke grondslag dit verzoek is gebaseerd. De GI lijkt geen beslissing te hebben genomen om het contact tussen de vader en [minderjarige] te beperken. De vader heeft immers zelf die keuze gemaakt en de GI heeft tegenover hem aangegeven te gaan bekijken hoe de vader wel structureel in het contact met [minderjarige] kan blijven. Er is dus geen sprake van een situatie als vermeld in artikel 1:265f BW. Er is echter ook geen sprake van een situatie als vermeld in artikel 1:265g BW, aangezien niet is gebleken dat er al een contactregeling was vastgesteld en de vader daarvan een wijziging verzoekt. Er is ook geen sprake geweest van een schriftelijke aanwijzing, dus artikel 1:263 en Pro 1:264 BW zijn ook niet van toepassing. Er is ook geen beroep gedaan op de geschillenregeling van artikel 1:262b BW en het is onvoldoende gebleken dat er sprake is van een geschil tussen de vader en de GI, aangezien de advocaat heeft aangegeven dat er tussen de vader en de GI gesprekken plaatsvinden over herstel van het contact. Kortom, de kinderrechter kan ook niet ambtshalve de rechtsgrond voor dit verzoek aanvullen.
5.13.
De kinderrechter verklaart de vader daarom niet-ontvankelijk in zijn zelfstandig verzoek.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 oktober 2025 tot 24 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 oktober 2025 tot 1 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende deel tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aan tot
dinsdag 21 april 2026 pro forma;
6.5.
verzoek de Raad onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] , met inachtneming van de vragen gesteld in overweging 5.7, en het adviesrapport uiterlijk op voormelde pro forma datum te overleggen aan de rechtbank, met een afschrift aan (de advocaten van) de ouders en de GI;
6.6.
verzoekt de griffier van de rechtbank om uiterlijk op voormelde pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen en voormelde afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing, te plannen op een zitting (in overleg met de behandeld kinderrechter) van de kinderrechter of van de meervoudige kamer van de rechtbank uiterlijk medio mei 2026 en de GI, (de advocaten van) de ouders en de Raad hiervoor tijdig op te roepen;
6.7.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn zelfstandig verzoek;
6.8.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.