ECLI:NL:RBZWB:2025:7148

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/429493/ JE RK 24-2188
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij pleegmoeder

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die al ruim drie jaar bij een pleegmoeder woont. De moeder is niet in staat een duurzame, veilige en stabiele opvoedingsomgeving te bieden vanwege persoonlijke problematiek en psychosociale problemen.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseren verlenging van de maatregelen en bevestigen dat het perspectief van de minderjarige niet meer bij de moeder ligt. De moeder erkent dit en ondersteunt het verblijf bij de pleegmoeder, hoewel zij graag het contact wil behouden en hoopt op stabilisatie van haar situatie.

De kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijven om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De moeder wordt aangespoord haar boosheid jegens de GI te bespreken en contact te onderhouden met de begeleiding om het contact met de minderjarige te verbeteren.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 12 januari 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/429493/ JE RK 24-2188
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
Nadere beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
locatie Tilburg,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. N. van Vliet te Breda,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 14 januari 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • het rapport van de Raad van 9 juli 2025;
  • de brief met bijlagen van de GI van 11 september 2025;
  • de tijdens de zitting overgelegde pleitnota van mr. Van Vliet.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij
waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de moeder met haar advocaat;
  • de pleegmoeder;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de moeder van [hulpverlening 1] , de heer [persoon] .

2.De nadere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 23 december 2026 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 12 januari 2025 tot 26 januari 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2025 zijn de ondertoezichtstelling en deze machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 26 januari 2025 tot 12 oktober 2025 verlengd. De beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot 12 september 2025 pro forma. Aan de Raad is verzocht om onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] . Aan de GI is verzocht om schriftelijk verslag te doen van het verloop van de maatregelen.
De verzoeken
2.2.
Aan de orde zijn de (resterende) verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 januari 2026. De GI heeft ook verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten
2.3.
De Raad heeft in haar rapport van 9 juli 2025 en tijdens de zitting geadviseerd het toekomstperspectief voor de hoofdverzorging en opvoeding van [minderjarige] bij de pleegmoeder te bepalen. Daarnaast adviseert de Raad om de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de moeder van anderhalf uur om de week bij Sterk Huis te continueren en te evalueren om te monitoren wat haalbaar is voor de moeder en [minderjarige] . De moeder heeft niet de mogelijkheid en de draagkracht om een veilige en gestructureerde opvoedomgeving te bieden aan [minderjarige] . De situatie rondom de moeder blijft onstabiel. [minderjarige] verblijft al drie jaar bij de pleegmoeder. Zij hebben een goede band en er is sprake van een veilige, liefdevolle, gestructureerde opvoedomgeving. [minderjarige] heeft al veel instabiliteit en ingrijpende, onvoorspelbare en onveilige situaties meegemaakt. Het is belangrijk dat zij rust krijgt om te blijven ontwikkelen zoals ze nu doet bij de pleegmoeder. [minderjarige] is aangemeld voor traumatherapie. De GI moet nog bekijken of er sprake is van kind-eigen problematiek. Het is van belang om [minderjarige] de zekerheid geven dat zij bij de pleegmoeder mag en kan blijven wonen. De aanvaardbare termijn is verstreken. Voor de moeder is het in de nabije toekomst niet haalbaar zelfstandig de zorg op zich te nemen. Als haar situatie in de komende jaren positief verandert, dan moet gekeken worden welke rol zij kan vervullen in het leven van [minderjarige] . De Raad vindt dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voorlopig kunnen worden voortgezet. Er is geen sprake van dat de moeder haar gezag misbruikt of dat zij niet handelt in het belang van [minderjarige] . Zij stimuleert [minderjarige] om bij pleegmoeder te zijn. De moeder gunt [minderjarige] een fijne jeugd, waarvan de moeder inziet dat zij de regelmaat en structuur niet kan bieden.
2.4.
De GI heeft per brief aangegeven dat het de moeder niet lukt om haar leven op de rit te krijgen. Recent is er sprake geweest van rijden met een verlopen rijbewijs en onder invloed, aanhouding voor winkeldiefstal en een huisuitzetting. De moeder verblijft her en der waardoor een daklozenuitkering niet aangevraagd kan worden. Er is geen sprake meer van behandeling bij [hulpverlening 2] , omdat de moeder vaak de afspraken niet nakwam. De moeder heeft zichzelf wel aangemeld bij verslavingszorg. Het gaat niet goed met de moeder, zoals zij ook zelf aangeeft. De moeder is door de situatie waarin zij zich bevindt slecht bereikbaar. De GI ziet geen opvoedrol voor de moeder. Er is begeleide omgang van anderhalf uur om de week. De moeder komt de omgang na en het verloopt prettig, maar het lukt de moeder zelden om tijdig aanwezig te zijn. Daarnaast zijn er elke week videobelmomenten tussen de moeder en [minderjarige] , maar de afgelopen weken is dit niet doorgegaan vanwege de dakloze situatie van de moeder. Zij hebben wel contact via whatsapp. Onbegeleide omgang acht de GI niet in het belang van [minderjarige] . De moeder belast [minderjarige] door te vertellen wat zij moet zeggen tegen de GI of de pleegzorgwerker. Er is besproken met de moeder dat zij hiermee een beroep doet op loyaliteit van [minderjarige] . En zijn nog steeds zorgen om het middelengebruik van de moeder. De GI ziet het belang van [minderjarige] om een goed en fijn contact met moeder te blijven hebben. Het gaat goed met [minderjarige] bij de pleegmoeder. [minderjarige] is aangemeld bij Sterk Huis voor traumatherapie.
De aanvaarbare termijn is voor [minderjarige] verstreken. Het is niet te verwachten dat de moeder op korte of lange termijn zelf de opvoeding kan dragen. De GI vindt een langdurige ondertoezichtstelling belastend voor [minderjarige] , omdat telkens ook naar haar mening gevraagd zal worden. Het is ook de vraag of de moeder voldoende in staat is haar gezag te kunnen blijven uitoefenen, gezien haar situatie. De moeder komt op pedagogisch vlak ernstig tekort, ze is niet leerbaar gebleken en pedagogisch gezien niet in staat om het gezag op een verantwoorde wijze te kunnen dragen.
Ter zitting heeft de GI aanvullend aangegeven dat de moeder goede intenties heeft. Het mist echter aan voorspelbaarheid en transparantie vanuit de moeder. Er kan niet worden vertrouwd op haar uitspraken. De moeder zegt bijvoorbeeld clean te zijn, maar uit testresultaten blijkt dat zij heeft gereden onder invloed. Ze heeft gezegd geen contact te hebben met haar ex-partner, maar een melding van Veilig Thuis zegt iets anders. Van [hulpverlening 2] kreeg de GI te horen dat de moeder zich niet begeleidbaar opstelt en dat de behandeling is gestopt. De moeder krijgt de kansen, maar ze moet ze wel grijpen. De moeder is op dit moment uit het contact met de GI gegaan. De moeder heeft tot nu toe altijd wel haar handtekening gezet voor zaken die nodig zijn voor [minderjarige] . Uitoefening van het gezag houdt echter meer in. Daarvoor is meer betrokkenheid van de moeder bij het leven van [minderjarige] nodig. De GI overweegt bij de Raad een verzoek tot onderzoek naar beëindiging van het gezag van de moeder in te dienen. Deze keuze is nog niet gemaakt.
2.5.
Door de moeder is aangegeven dat het op dit moment niet goed met haar gaat. Ze heeft geen woning. Ze verblijft op verschillende plekken. De moeder geeft aan al maanden geen drugs meer te gebruiken. Ze heeft medicatie van de huisarts. Ze heeft erg veel aan haar hoofd. Ze hoopt dat ooit haar situatie wel stabiel genoeg is dat [minderjarige] dan bijvoorbeeld een weekend bij haar kan verblijven. De omgang met [minderjarige] is erg belangrijk voor haar. [minderjarige] heeft het goed bij de pleegmoeder. De moeder gunt [minderjarige] dit en zij is het eens met de perspectiefbepaling.
De advocaat van de moeder heeft het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft jaren geleden al ingezien dat zij [minderjarige] onvoldoende een duurzame, veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden en ze heeft toen al in het vrijwillige kader ervoor gezorgd dat [minderjarige] (eerst in het weekend en daarna volledig) in een pleeggezin mocht verblijven. Dat er een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing is gevolgd, heeft met name te maken met het gebrek aan regie in de periode van vrijwillige hulpverlening. De moeder heeft daar mee ingestemd. De moeder staat nog steeds achter de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder. De moeder wil het beste voor [minderjarige] en weet dat zij het zelf niet aan haar kan bieden. De moeder heeft altijd meegewerkt aan beslissingen die genomen moesten worden over [minderjarige] . De moeder werkt hard om haar situatie weer stabiel te krijgen. Ze wordt nu begeleid door [hulpverlening 1] De moeder begrijpt dat het perspectief voor [minderjarige] om weer bij haar te komen wonen op een aanvaardbare termijn niet haalbaar is. [minderjarige] heeft ook aangegeven dat ze bij pleegmoeder wil blijven wonen. De moeder kan daarom instemmen met een langer verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder en stemt in met toewijzing van de resterende verzoeken. Ook staat de moeder achter het standpunt van de Raad dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegmoeder ligt. De moeder blijft haar best doen om stabiliteit in haar leven te krijgen, opdat het contact tussen haar en [minderjarige] op termijn kan worden uitgebreid en in de toekomst mogelijk met een overnachting bij haar thuis kan plaatsvinden. De moeder is het met de Raad eens dat voor [minderjarige] een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing kan voortduren. Tijdens het onderzoek is niet gebleken dat de moeder haar gezag misbruikt of niet handelt in het belang van [minderjarige] . De moeder kan de GI niet volgen dat een langdurige ondertoezichtstelling belastend is. Voor zover de GI daarmee betoogt dat een gezagsbeëindiging meer duidelijkheid voor [minderjarige] zou geven, kan de moeder ook dat niet volgen. Voor [minderjarige] is duidelijk dat zij bij de pleegmoeder mag blijven wonen en daar staat de moeder ook achter. Voortduring van het gezag van de moeder is niet schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder is nu iets moeilijker te bereiken, omdat ze niet altijd over een opgeladen telefoon kan beschikken doordat ze geen vaste verblijfplaats heeft. Op dit moment is ze boos op de GI, omdat bepaalde dingen die zijn gezegd niet kloppen. Ze heeft het daar moeilijk mee en ze heeft veel aan haar hoofd. Maar het belang van [minderjarige] staat bij de moeder voorop. De advocaat adviseert dat er contact wordt gelegd tussen de begeleider van de moeder van [hulpverlening 1] en de jeugdbeschermer.
2.6.
De pleegmoeder heeft aangegeven dat het met [minderjarige] goed gaat. Ze doet het goed op school, heeft vriendinnetjes en gaat naar sport. Er is een goede hechtingsband tussen [minderjarige] en de pleegmoeder. [minderjarige] is heel neutraal over de omgangsregeling. Als het een keer niet doorgaat, dan heeft ze er niet veel last van. Ze kiezen er dan voor om bijvoorbeeld een berichtje naar de moeder te sturen. [minderjarige] kan vertrouwen op de rust en stabiliteit bij de pleegmoeder. [minderjarige] heeft aangegeven bij de pleegmoeder te willen blijven wonen.
De beoordeling door de kinderrechter
2.7.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Zij kan immers niet bij haar moeder wonen, omdat de moeder niet in staat is haar een duurzaam stabiele opvoedomgeving te bieden. Door persoonlijkheidsproblematiek en psychosociale problemen, en inmiddels een gebrek aan een vaste verblijfplaats, lukt het de moeder niet om voor [minderjarige] te zorgen. De moeder heeft dit jaren gelegen al ingezien en het is moedig van de moeder dat zij al die tijd de nodige maatregelen heeft getroffen om [minderjarige] wel een stabiele jeugd te bieden, inhoudende dat [minderjarige] door een ander wordt opgevoed. Het lukt de moeder onvoldoende zelfstandig de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Daarom is en blijft een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen tot 12 januari 2026.
2.8.
De kinderrechter verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
2.9.
De kinderrechter stelt met de Raad, de GI én de moeder vast dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Inmiddels blijkt al jaren dat het de moeder niet lukt om duurzaam een veilige en stabiele opvoedomgeving aan [minderjarige] te bieden. De persoonlijke problematiek van de moeder voert namelijk de boventoon en beïnvloedt alle aspecten van haar leven. [minderjarige] woont al ruim drie jaren bij de pleegmoeder en zij ontwikkelt zich daar goed. Het perspectief van [minderjarige] ligt daarom bij de pleegmoeder. Aan [minderjarige] kan de duidelijkheid worden gegeven dat zij bij de pleegmoeder blijft wonen. Het is voor [minderjarige] fijn dat de moeder hier ook achter staat en dit naar haar uitdraagt. Daarmee laat de moeder zien dat zij het belang van [minderjarige] vooropstelt.
2.10.
De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de situatie van de moeder zich enigszins kan stabiliseren en dat zij in haar basisbehoeften kan voorzien. Dit zou namelijk het contact tussen de moeder en [minderjarige] ten goede komen en dat is in het belang van [minderjarige] . De GI voert de ondertoezichtstelling over [minderjarige] uit. De moeder kan als gezaghebbende ouder niet uit het contact met de GI gaan. De boosheid die de moeder op dit moment tegenover de GI voelt, moet daarom uitgepraat worden. De kinderrechter ziet hierin ook een taak van de GI. Gezien de huidige omstandigheden van de moeder kan het daarnaast helpend zijn als er contact is tussen de GI en de begeleiding van de moeder van [hulpverlening 1] .

3.De beslissing

De kinderrechter:
3.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 oktober 2025 tot
12 januari 2026;
3.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 oktober 2025 tot 12 januari 2026;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.