De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die al ruim drie jaar bij een pleegmoeder woont. De moeder is niet in staat een duurzame, veilige en stabiele opvoedingsomgeving te bieden vanwege persoonlijke problematiek en psychosociale problemen.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseren verlenging van de maatregelen en bevestigen dat het perspectief van de minderjarige niet meer bij de moeder ligt. De moeder erkent dit en ondersteunt het verblijf bij de pleegmoeder, hoewel zij graag het contact wil behouden en hoopt op stabilisatie van haar situatie.
De kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijven om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De moeder wordt aangespoord haar boosheid jegens de GI te bespreken en contact te onderhouden met de begeleiding om het contact met de minderjarige te verbeteren.