Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart op 15 juni 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de kaart mogelijk was verschoven of gevallen door stress of wind, en dat er geen opzet was. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 6 augustus 2025 verscheen de officier van justitie, betrokkene was afwezig. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond en de boete terecht was opgelegd. Wel achtte de kantonrechter de omstandigheden, waaronder het feit dat de echtgenoot van betrokkene houder was van een geldige gehandicaptenparkeerkaart en zich in een revalidatiecentrum bevond, reden om de boete te matigen.
Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, wat aanleiding gaf tot een matiging van 25%. De boete werd gematigd tot € 30,- plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag aan zekerheid werd terugbetaald. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete gematigd tot € 30,- plus administratiekosten.