Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het gebruik van een puntstuk op de Rijksweg A58 te Etten-Leur op 15 juli 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging waarvoor de boete werd opgelegd, voldoende vaststond op basis van de verklaring van de verbalisant. Betrokkene had geen specifieke feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel konden zaaien over de juistheid van deze verklaring.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, met ruim twee weken werd overschreden. Gezien vaste rechtspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden leidt dit tot matiging van de boete met 25%. Daarnaast werd betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend.
De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag van €70 terug te betalen. De boete werd gematigd tot €210 plus €9 administratiekosten. De uitspraak werd gedaan op 6 augustus 2025 door kantonrechter R.J.H. de Brouwer.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten worden vergoed.