ECLI:NL:RBZWB:2025:7250
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsmoment voortzettingsbeschikking 30%-regeling bij wijziging inhoudingsplichtige
Belanghebbende en [bv1] verzochten gezamenlijk om voortgezette toepassing van de 30%-regeling voor de periode van 1 september 2023 tot en met 19 maart 2028. De inspecteur kende de voortzettingsbeschikking toe met ingang van 1 juni 2024, omdat het verzoek pas op 29 mei 2024 werd ingediend, ruim na de viermaandentermijn die geldt voor terugwerkende kracht.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen het ingangsmoment en stelde dat de tewerkstelling feitelijk ongewijzigd bleef en dat de overschrijding van de termijn mede te wijten was aan trage besluitvorming en foutieve adressering door de inspecteur. De rechtbank oordeelde dat de wet- en regelgeving geen beleidsruimte aan de inspecteur laat om het ingangsmoment anders vast te stellen.
De rechtbank overwoog dat het evenredigheidsbeginsel niet kan worden toegepast om de wettelijke regeling te omzeilen, omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor een regeling zonder verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, waardoor het ingangsmoment van 1 juni 2024 blijft gelden en de looptijd van de regeling wordt verkort.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het ingangsmoment van de voortzettingsbeschikking blijft 1 juni 2024.