ECLI:NL:RBZWB:2025:7251
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingangsmoment voortzettingsbeschikking 30%-regeling bij wijziging inhoudingsplichtige
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van het ingangsmoment van de voortzettingsbeschikking van de 30%-regeling door de inspecteur. De regeling werd voortgezet na een wijziging van de inhoudingsplichtige van [bv2] naar [bv1], waarbij de tewerkstelling bij [bv1] begon op 1 september 2023. Het verzoek tot voortzetting werd echter pas op 29 mei 2024 ingediend, ruim na de viermaandentermijn.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het ingangsmoment van de voortzettingsbeschikking correct heeft vastgesteld op 1 juni 2024, de eerste dag van de maand volgend op de maand van het verzoek. De looptijd van de regeling wordt hierdoor verkort met de periode tussen 1 september 2023 en 1 juni 2024.
Belanghebbende voerde aan dat het evenredigheidsbeginsel toepassing verdient vanwege de feitelijke ongewijzigde tewerkstelling en de trage besluitvorming van de inspecteur, maar de rechtbank stelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een regeling zonder verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De rechtbank kan dit niet terzijde stellen en verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak bevestigt dat de wettelijke bepalingen omtrent de voortzetting van de 30%-regeling strikt moeten worden nageleefd, ook bij administratieve vertragingen. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het ingangsmoment van de voortzettingsbeschikking op 1 juni 2024.