ECLI:NL:RBZWB:2025:7252
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingangsmoment voortzettingsbeschikking 30%-regeling bij wijziging inhoudingsplichtige
Belanghebbende heeft een verzoek ingediend voor voortgezette toepassing van de 30%-regeling bij een nieuwe inhoudingsplichtige na beëindiging van de tewerkstelling bij de oude inhoudingsplichtige. De inspecteur stelde het ingangsmoment van de voortzettingsbeschikking vast op 1 juni 2024, omdat het verzoek pas op 29 mei 2024 werd gedaan, ruim na de viermaandstermijn.
Belanghebbende betoogde dat de tewerkstelling feitelijk ongewijzigd bleef en dat vertragingen bij de inspecteur en foutieve adressering de late indiening veroorzaakten, waardoor toepassing van het evenredigheidsbeginsel zou moeten leiden tot een terugwerkende kracht vanaf 1 september 2023.
De rechtbank oordeelde dat de wet en het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) geen beleidsruimte aan de inspecteur geven en dat de termijn strikt geldt voor het bepalen van het ingangsmoment en de looptijd. De rechtbank kan de wettelijke regeling wel toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, maar constateert dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling zonder verschoonbaarheid van overschrijding.
Daarom blijft het ingangsmoment op 1 juni 2024 gehandhaafd en wordt het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het ingangsmoment van de voortzettingsbeschikking blijft 1 juni 2024.