Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
(gemachtigde: [gemachtigde]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1997 met diverse voorzieningen en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van € 583.000 per 1 januari 2022. Hij stelt dat de waarde lager moet zijn, namelijk € 560.000. De heffingsambtenaar heeft de waarde gebaseerd op een taxatiematrix met referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar zijn.
De rechtbank beoordeelt de gebruikte referentiewoningen als passend en concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen, zoals gebruiksoppervlakte en ligging. De stelling van belanghebbende dat de horizonvervuiling door windmolens en hoogspanningsmasten een lagere waardering rechtvaardigt, wordt niet gevolgd omdat deze elementen op grote afstand liggen.
Ook het argument dat luxe voorzieningen in een referentiewoning onvoldoende zijn meegenomen, wordt verworpen omdat de waarde van het souterrain volledig is meegenomen in de waardeberekening. De rechtbank oordeelt dat de WOZ-waarde en de aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van € 583.000 blijft gehandhaafd.