ECLI:NL:RBZWB:2025:7272
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag loonheffingen en belastingrente
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag loonheffingen van €45.000 en een belastingrentebeschikking van €4.659 over de jaren 2020 tot en met 2022. De inspecteur had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, maar de rechtbank oordeelde dat dit onterecht was en besloot zelf de zaak te beoordelen.
Uit het feitenrelaas blijkt dat partijen een vaststellingsovereenkomst (VSO) sloten waarin werd afgesproken dat de belastingrente conform wettelijke bepalingen zou worden berekend. Belanghebbende stelde dat de belastingrente ten onrechte in rekening was gebracht en dat het percentage te hoog was vanwege een verlaagd tarief tijdens de coronaperiode. De rechtbank verwierp deze argumenten omdat de VSO duidelijk was en geen andere afspraken waren gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking correct waren vastgesteld en wees het beroep op inhoudelijke gronden af. Wel werd het bezwaar gegrond verklaard omdat het ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd, maar de aanslag en rente bleven gehandhaafd.
De inspecteur werd veroordeeld tot betaling van het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard wegens onterecht niet-ontvankelijk verklaard bezwaar, maar de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking worden gehandhaafd.