ECLI:NL:RBZWB:2025:7313

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439499 / JE RK 25/1615
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens loyaliteitsconflict en contactverlies tussen minderjarigen en vader

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 oktober 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen tot 30 april 2026. De minderjarigen zitten in een loyaliteitsconflict door de ouderstrijd en hebben sinds december 2024 geen contact meer met hun vader. Dit contactverlies vormt een ernstige bedreiging voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt de verlenging omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad en de communicatie tussen de ouders nog steeds gebrekkig is. De vader toont weinig initiatief om contact te herstellen, ondanks een herstelbrief en een schriftelijke aanwijzing. De moeder toont een positieve inzet in hulpverlening. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de verlenging en benadrukt de noodzaak van begeleid contact.

De kinderrechter acht de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ontwikkeling van de minderjarigen te beschermen en het contact met de vader te herstellen. De GI krijgt regie over het contactherstel en monitoring van de reacties van de kinderen. De beslissing is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 30 april 2026 om het contact met de vader onder begeleiding te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439499 / JE RK 25/1615
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 september 2025;
  • het stelbericht van mr. Jongenelen van 15 september 2025;
  • het bericht van mr. Teusink van 15 september 2025 dat hij de vader alleen bijstaan in de zaak met kenmerk C/02/393185 FA RK 21-6135;
  • het stelbericht van mr. Teusink van 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI;
  • een medewerkster van de Raad.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek of via het schrijven van een brief. Hiervan hebben zij geen gebruik gemaakt.
1.4.
Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek van de GI en de verzoeken van de ouders in de zaak met kenmerk C/02/393185 / FA RK 21-6135, zijn die zaken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking van heden beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 30 oktober 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Die maatregel is sindsdien steeds verlengd.
2.4.
Laatstelijk, bij beschikking van 24 oktober 2024, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 30 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden belast met de conflicten tussen hun ouders. Zij zitten in een loyaliteitsconflict. Wat daarnaast zorgen baart is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact hebben met hun vader. Waar er eerder sprake was van begeleid contact en de afspraak bestond dat de contacten uitgebreid zouden worden, is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stopgezet na een incident tussen de vader, de moeder en opa (moederszijde). Sinds december 2024 is er geen contact meer. Daarnaast was de GI van mening dat de vader eerst aan zichzelf moest werken bij [hulpverlening] . Hulpverlening vanuit de speltherapie is stopgezet omdat van belang werd geacht dat eerst de ouders stappen zetten richting een stabielere en veiligere situatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
Gezien wordt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] grote weerstand laten in het contact met hun vader. [hulpverlening] merkt die weerstand op in gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] vertoont lichamelijke klachten en [minderjarige 2] laat veel boosheid en weerstand zien. De GI concludeert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volledig knel lijken te zitten. Het contactverlies leidt daarbij opnieuw tot een grote verwijdering tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bij [hulpverlening] geven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan rust te ervaren nu er geen contact meer is met de vader.
4.3.
Aan de zijde van de vader wordt bemerkt dat hij na het incident in december 2024 voor hulpverlening regelmatig niet bereikbaar is, hij niet op afspraken verschijnt en hij afspraken afzegt. De vader heeft in mei 2025 daarom een schriftelijke aanwijzing gekregen met de opdracht om contact op te nemen met [hulpverlening] . In gesprek met de GI geeft de vader vervolgens aan het emotioneel niet meer aan te kunnen. De vader heeft geen vertrouwen in een herstel van contact. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een ‘herstelbrief’ geschreven waarin hij een voorstel doet voor het hebben van contact, te weten een aantal keer per jaar in ongedwongen sfeer. Die herstelbrief is inmiddels voorgelezen aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.4.
In de afgelopen periode ziet de GI bij de moeder een positieve inzet bij [hulpverlening] . Zij is actief betrokken.
4.5.
In de komende periode zal de GI inzetten op het afronden van het traject bij [hulpverlening] . Daarnaast zal onderzocht worden wat een passende zorg- en contactregeling is en zal de zaak daarna worden overgedragen naar het vrijwillig kader. De bedoeling is om in de komende maanden één contactmoment te organiseren. Via de therapeuten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt vervolgens informatie ingewonnen over hoe zij op het contact reageren en wat er voor hun nodig is voor het (verder) opstarten van het contact. De ouders kunnen ondertussen aan de slag met hun eigen traject bij [hulpverlening] waarin zij leren om elkaar als ouder te zien in plaats van ex-partner.
4.6.
Desgevraagd bevestigt de GI dat de bij de ondertoezichtstelling opgestelde doelen niet zijn behaald. Echter, het hoogst haalbare is ingezet. Het is nu ook deels aan de vader zelf om stappen te zetten richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , bijvoorbeeld door het schrijven van kaartjes en zich in hen te verdiepen. Zo kan hij zelf de schoolresultaten inzien. Tot nu toe wordt gezien dat de vader hierin passief is.

5.Het standpunt van belanghebbende en het advies van de Raad

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat er geen grondslag meer bestaat voor de ondertoezichtstelling. Deze begon ooit omdat de moeder weerstand liet zien ten aanzien van het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun vader. Dat is nu anders. De moeder heeft hulpverlening geaccepteerd en laat nu een positieve verandering zien. De grondslag waarop twee jaar geleden de ondertoezichtstelling is verleend, is nu dus verdwenen. Het is op dit moment juist de vader aan wie de hulpverlening moet trekken. Geconcludeerd is dat hij eerst ook zijn eigen hulpverlening moet afronden. Een ondertoezichtstelling is daarvoor niet nodig. Dit is daarvoor een te zwaar middel. Hoewel de moeder ziet dat er een ontwikkelingsbedreiging is, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact hebben met hun vader, is er in haar visie meer nodig dan dat voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder verwacht niet dat bij een verlenging van de maatregel aan de zijde van de vader positieve veranderingen zichtbaar zullen zijn. De GI geeft aan dat zij voor een overdracht naar het vrijwillig kader zes maanden nodig hebben, maar dit is volgens de moeder onnodig.
De moeder concludeert dat overheidsingrijpen in het gezinsleven op dit moment niet meer gerechtvaardigd is. Daarom moet het verzoek worden afgewezen. Wanneer de kinderrechter de ondertoezichtstelling wel verlengt, dan kan die verlenging voor kortere periode. Over drie maanden kan de GI ook schriftelijk advies geven over de contacten.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is. De vader vindt het pijnlijk hoe het de afgelopen periode is verlopen. Er is geen contact meer tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij zijn van hem vervreemd. Dat er geen contact meer is, brengt een ernstige ontwikkelingsbedreiging met zich mee. Er heeft bij de moeder altijd weerstand bestaan tegen het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook nu. De vader heeft veel tijd en moeite gestoken in hulpverlening via [hulpverlening] . Eerder gingen de begeleide contacten goed. Op het moment dat er in het contact een stap verder moest worden gezet, ging het fout. De vader heeft opa (moederzijde) ontmoet en dat triggerde hem. Er zijn over en weer een aantal opmerkingen gemaakt. Dat is wat het was. De moeder maakt het incident groter dan het is. De vader vermoedt sterk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van moeder iets over de woordenwisseling hebben meegekregen. Inmiddels liggen de contacten bijna een jaar stil en lijkt er ouderverstoting te zijn ontstaan. De vader heeft een herstelbrief geschreven en waarin hij aangeeft hoe hij het contact ziet, bijvoorbeeld op een neutrale plek zoals de speeltuin. De vader ziet dat als een herstel van het traject. Wanneer het eerste contact weer heeft plaatsgevonden, moet worden bezien hoe het verder loopt. Daar is monitoring van de GI en hulpverlening bij nodig. Wanneer er nu een verwijzing naar het vrijwillig kader zal plaatsvinden, dan verwacht de vader dat alles stokt en er niets meer in gang wordt gezet.
5.3.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad heeft de indruk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een loyaliteitsconflict zitten. Zij kunnen het niet dragen om te moeten kiezen tussen hun vader en hun moeder. Dit resulteert in het niet willen zien van de vader. Zij hebben een minimaal eigen beeld van de vader kunnen vormen door de jaren heen. De moeder heeft lang geen emotionele toestemming gegeven om contact met de vader te hebben. Dit komt nu tot uiting. Alle positieve stappen die eerder zijn gezet, zijn op dit moment tenietgedaan. Er is nu een jaar verstreken. De Raad ziet ook dat de vader in de tussentijd weinig van zich heeft laten zien. Echter, het is te makkelijk om te zeggen dat dit alleen aan de vader zelf ligt. In de visie van de Raad is het noodzakelijk om een poging te doen om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun vader te herstellen. Een contactmoment eens per drie maanden acht de Raad daarvoor te weinig. Het contact moet eerst begeleid plaatsvinden. Daar is inzet van de GI voor nodig.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.4.
Niet ter discussie staat dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Uit de overlegde stukken en de zitting is gebleken dat er bij hen sprake is van een loyaliteitsconflict. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen contact met hun vader, hetgeen schadelijk is voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast worden zij ook belast met de strijd die de ouders met elkaar voeren. De moeder heeft eerder langere tijd weerstand getoond tegen het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun vader. Dat zij nu zelf ook weerstand laten zien, lijkt een uitwerking daarvan. De kinderrechter volgt hetgeen de Raad hierover naar voren heeft gebracht; [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen het niet dragen om te moeten kiezen tussen hun vader en hun moeder. Dit resulteert in het niet willen zien van de vader. Zij hebben de afgelopen jaren een minimaal eigen beeld van de vader kunnen vormen. Dit leidt nu tot afstoting van de vader en dat acht de kinderrechter zorgelijk.
6.5.
In de afgelopen periode is het (begeleid) contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gestopt, mede naar aanleiding van een incident tussen de ouders en opa (moederzijde). De kinderrechter betreurt die gang van zaken, juist omdat de contacten goed verliepen. Voormeld incident lijkt niet alleen de aanleiding te zijn geweest voor de weerstand die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen de vader laten zien, ook heeft het ertoe geleid dat de vader ten opzichte van de hulpverlening uit contact is geraakt. Hoewel de kinderrechter de teleurstelling van de vader begrijpt, is het hem aan te rekenen dat hij de hulpverlening op zijn beloop heeft gelaten. Een schriftelijke aanwijzing was nodig om de vader weer aangehaakt te krijgen. Ook acht de kinderrechter het zorgelijk dat de vader in de tussenperiode niet op andere manieren bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrokken is geweest. De vader heeft zich niet geïnformeerd via school en heeft ook nagelaten om kaartjes te sturen. Hij had zich via die wegen geïnteresseerd kunnen tonen. Het uitblijven daarvan is een gemiste kans. Anderzijds, had het op de weg van de GI gelegen om de vader daarin te ondersteunen en hem mogelijkheden aan te reiken.
6.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter heeft, gelet op het verleden en de huidige verstandhouding tussen de ouders, niet de verwachting dat het hen samen lukt om de tussen hen bestaande problemen op te lossen. Duidelijk is geworden dat de communicatie tussen partijen afwezig is en het hen niet lukt om samen ouders voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zijn. Zij zijn nog altijd met elkaar in strijd en dat dient aangepakt te worden. Regievoering van de GI is hiervoor nodig. Hetzelfde geldt voor regievoering ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter ziet evenals de Raad de noodzaak om te proberen het contact tussen hen weer te herstellen. Zoals in de zaak met kenmerk C/02/393185 / FA RK 21-6135 is bepaald, zal de GI de regie hebben over (de uitbreiding van) de (begeleide) contacten. Een kans van slagen van contactherstel in een vrijwillig acht de kinderrechter klein. Ook hiervoor is regievoering van de GI nodig. Bovendien dient de GI te monitoren hoe [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het contact met de vader reageren, hoe (en of) zij zijn kaartjes ontvangen en of het contact daadwerkelijk van de grond komt.
6.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van zes maanden, te weten tot 30 april 2026.
6.8.
Zoals in deze beschikking eerder is overwegen, zal in de komende periode de focus moeten liggen op (een vorm van) contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij het streven is om een begeleid contact moment te organiseren. Daarnaast dienen de ouders hulpverlening te accepteren rondom de aanpak van de ouderstrijd. Deze hulpverlening vindt plaats naast eventueel benodigde individuele hulpverlening bij [hulpverlening] . Daarbij moeten de ouders laten zien dat zij kennis hebben van de effecten van een scheiding en (dreigend) contactverlies op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en leren op welke manier zij zich zo neutraal mogelijk kunnen opstellen over de andere ouder in het contact met de kinderen.
6.9.
Indien en voor zover een nieuwe verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, wenst de kinderrechter geïnformeerd te worden over:
- heeft de vader kaartjes gestuurd? Zo ja, hoe reageren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de kaartjes? Zo nee, waarom is dit niet gelukt?
- het contactmoment / de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hoe zij daarop hebben gereageerd;
- de inzet van beide ouders voor hulpverlening.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 30 april 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.