ECLI:NL:RBZWB:2025:7314

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/393185 FA RK 21-6135
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Contactregeling en zorgverdeling onder regie van gecertificeerde instelling bij ondertoezichtstelling minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en contactregeling tussen een vader en zijn twee minderjarige kinderen, die onder een ondertoezichtstelling vallen. Eerder contact was stopgezet sinds december 2024, mede door een incident en onvoldoende medewerking van de vader aan hulpverlening. De gecertificeerde instelling (GI) adviseerde een laagfrequente contactregeling van eens per drie maanden met begeleiding.

De vader verzocht om een uitgebreidere contactregeling, terwijl de moeder een begeleide regeling met beperkte contactmomenten wenste. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte het belang van het herstel van contact, maar vond de GI-adviesfrequentie te laag en stelde een contact per maand of twee maanden voor, onder begeleiding en met inzet van hulpverlening.

De rechtbank oordeelde dat het contact binnen de ondertoezichtstelling verder vormgegeven moet worden onder regie van de GI, die het contact monitort, evalueert en concreet maakt. Een minimale begeleide contactregeling wordt vastgesteld, waarbij de vader zich moet inzetten en de moeder het contact moet stimuleren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank stelt een minimale begeleide contactregeling onder regie van de gecertificeerde instelling vast, waarbij verdere invulling binnen de ondertoezichtstelling wordt onderzocht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/393185 / FA RK 21-6135
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Nadere beschikking over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2] .
Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank (nader) over de verzoeken geadviseerd.

1.Het (verdere) procesverloop

1.1
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 7 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI van 4 september 2025, ingekomen bij de griffie op 8 september 2025;
1.2.
Op 16 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de resterende verzoeken voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigsters namens de GI;
  • een medewerkster namens de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de verzoeken van partijen en het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/439499 / JE RK 25-1615 zijn de zaken gelijktijdig behandeld.

2.De feiten

2.1.
De rechtbank hecht er waarde aan om het procesverloop van deze zaak hieronder kort weer te geven.
2.2.
Bij beschikking van 21 april 2022 zijn partijen in het kader van een jeugdhulptraject verwezen naar het Uniform Hulp Aanbod en heeft de rechtbank bepaald dat de man in het kader van de kosten voor verzorging en opvoeding van de minderjarigen een bedrag van
€ 300,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarigen.
2.3.
Bij beschikking van 12 juli 2022 is, zoals partijen in onderling overleg zijn overeengekomen, bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
o Eenmaal per twee weken op zondag (de zondag dat de man vrij is), met ingang van 3 juli 2022, van 13.00 uur tot 15.00 uur, bij mooi weer bij speeltuin [locatie 1] , bij slecht weer bij speeltuin [locatie 2] . De vrouw draagt zorg voor het halen en brengen in het kader van die regeling;
o Iedere woensdag om 18.30 uur door middel van videobellen.
2.4.
Bij beschikking van 30 oktober 2023 is de zaak aangehouden in afwachting van schriftelijk verslag van de GI over de resultaten van de ondertoezichtstelling
2.5.
Bij beschikking van 24 oktober 2024 is de zaak opnieuw aangehouden.
2.6.
Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 7 februari 2025, heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden, in afwachting van schriftelijk verslag van de GI over de actuele stand van zaken met betrekking tot het herstel en de eventuele uitbereiding van de contactregeling tussen de man en de minderjarigen.
2.7.
Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van de brief van de GI van 4 september 2025. De GI concludeert daarin, samengevat, als volgt. Sinds december 2024 vindt er geen contact meer plaats tussen de man en de minderjarigen. De GezinsManager heeft in maart 2025 geconcludeerd dat het niet is gelukt om alle doelen te behalen. Daarvoor nodig is progressie bij de ouders middels de inzet van [hulpverlening] . Pas wanneer de ouders stappen gaan zetten in de systeembehandeling, kan De GezinsManager de begeleide contacten hervatten. De GezinsManager adviseert eerst een hersteltraject tussen de ouders.
Sinds januari 2025 is de man moeilijk bereikbaar voor [hulpverlening] . Adviezen worden door hem niet opgevolgd. Op 12 mei 2025 heeft de man een schriftelijke aanwijzing ontvangen, gericht op het contacteren van [hulpverlening] . De man gaf vervolgens in gesprek met de GI aan de situatie emotioneel niet aan te kunnen en deze te moeten accepteren zoals het is. De minderjarigen lijken door de tijd steeds meer van hun vader verwijderd te raken. De GI betreurt het dat de contacten al negen maanden stil liggen. Wel merkt de GI op dat het goed gaat met de minderjarigen en zij duidelijk aangeven wat hun wens is ten aanzien van het contact met hun vader; enerzijds vertonen de minderjarigen spanningen rondom het bezoek van hun vader, maar anderzijds praten zij ook positief over hem. Dit maakt de situatie complex. De GI is van mening dat de minderjarigen en de man niet opnieuw in een intensief traject moeten worden geplaatst. De GI ziet slechts mogelijkheid voor contact op een lage frequentie, te weten eenmaal per drie maanden, op woensdag van 13.00 tot 15.00 uur in een speeltuin in [plaats] , waarbij de vrouw één week voorafgaand aan het bezoek een e-mail aan de man stuurt met een update over de minderjarigen. De eerste twee bezoeken worden begeleid door [hulpverlening] om het verloop te monitoren.

3.De (restende) verzoeken

3.1.
De volgende verzoeken liggen thans nog ter beoordeling voor.
3.2.
De man verzoekt een contactregeling tussen hem en de minderjarigen vast te stellen waarbij hij gerechtigd is tot contact met de minderjarigen in zijn woning, eenmaal per twee weken van zaterdag 9.00 uur tot zon dag 18.30 uur, waarbij het contact op woensdagmiddag plaatsvindt in de week dat er geen weekendomgang is alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen.
3.3.
De vrouw verzoekt, bij wijze van zelfstandig verzoek, vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de man en de minderjarigen begeleid contact met elkaar hebben en al dan niet voorlopig, op maandag en woensdag van 16.00 uur tot 18.00 uur bij de vrouw thuis.

4.De (nadere) standpunten en het advies van de Raad

4.1.
Door en namens de man is, samengevat, aangevoerd dat hij betreurt dat het contact is stopgezet. De periode dat er geen contact is duurt te lang, terwijl er eerder sprake was van een contactregeling van eens in te twee weken in de speeltuin voor de duur van twee uur. Dit verliep goed. De man maakt zich zorgen dat de minderjarigen van hem vervreemd zijn geraakt. Het liefste zou hij het contact direct hervatten.
De man beaamt dat hij in de tussenliggende periode geen contact heeft opgenomen met school en ook niet op een andere manier, zoals via kaartjes, iets aan de minderjarigen heeft laten weten. De man ziet in dat dit ook een mogelijkheid was geweest. Echter, het staat of valt met een positieve stimulering van de minderjarigen door de vrouw. Zo maakt zij het incident in december 2024 waar ook opa (moederzijde) bij was betrokken erger dan het was. De man vermoedt dat de minderjarigen via de vrouw weten wat er toen is gebeurd.
Voor de toekomst hoopt de man op een ongedwongen contact met de minderjarigen. Hij heeft zijn visie hierover opgeschreven in een herstelbrief. Opbouw van het contact kan verder worden opgepakt binnen de ondertoezichtstelling. De man zal meewerken aan hetgeen er van hem wordt verwacht. Ook zegt de man toe zich actiever te zullen opstellen richting de minderjarigen en kaartjes te zullen sturen.
Een eindbeschikking in deze zaak, acht de man niet passend, omdat eerst moet worden bekeken hoe het contactherstel verloopt. De man hoopt dat gestart kan worden met een contactmoment in de speeltuin, wat hij een prettiger omgeving acht dan ergens op kantoor van de GI of bij hulpverlening.
4.2.
Door en namens de vrouw is, samengevat, het volgende aangevoerd. De minderjarigen hebben altijd al weerstand laten zien tegen het contact met de man. Na het incident in december 2024 werd hun weerstand groter. In de afgelopen periode ondertoezichtstelling is de vrouw met hulpverlening aan de slag gegaan. De man daarentegen heeft het af laten weten. Ook hij had met zichzelf aan de slag moeten gaan. De minderjarigen hebben na het laatste contact niets meer van hun vader vernomen. De man informeert zichzelf ook niet, bijvoorbeeld via school. Dit maakt voor de vrouw dat het moeilijk is om de minderjarigen te stimuleren in het contact met hun vader. Dat de man zich niet geïnteresseerd toont en hij niet met hulpverlening aan de slag is gegaan, maakt het contactherstel moeilijk. Interesse vanuit de man zit er niet in.
Op dit moment gaat het goed met de minderjarigen. De schoolresultaten zijn goed en zij ervaren nu rust. Zij geven duidelijk aan geen contact met de man te willen. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen om de contactmomenten in de speeltuin, zoals de man dit voorstelt, in de beschikking op te nemen. Dit moet dan worden gezien als een streven. In de visie van de vrouw kan de zaak daarmee worden afgedaan. Deze procedure loopt nu te lang. Een nieuwe aanhouding van de zaak acht de vrouw niet passend, omdat zij niet verwacht dat er in de komende periode bij de man en de minderjarigen veel gaat veranderen. Als de man verandering wil laten zien, dan dient hij te beginnen met systeemtherapie en het sturen van kaartjes en een cadeautje voor de verjaardagen van de minderjarigen.
4.3.
Namens de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De GI heeft (in de zaak met kenmerk C/02/439499 / JE RK 25-1615) verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen met zes maanden. Voor het standpunt van de GI verwijst de rechtbank hier kortheidshalve naar de in die zaak gegeven beschikking.
In de komende periode ondertoezichtstelling is het de bedoeling dat er één contactmoment georganiseerd wordt. Via hulpverlening kan de GI dan geïnformeerd worden over hoe de minderjarigen op het contact met de man reageren en hoe zij het krijgen van kaartjes ervaren. De GI acht het positief dat de man zegt met hulpverlening aan de slag te willen gaan. De GI heeft de rechtbank schriftelijk geadviseerd dat er een mogelijkheid moet zijn voor een laag frequent contact van eens in de drie maanden. Dit advies wordt niet gewijzigd.
4.4.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. Eerder heeft de Raad zorgen geuit over een mogelijke contactbreuk tussen de minderjarigen en hun vader. Deze zorg is werkelijkheid geworden. Dit bedreigt de minderjarigen in hun ontwikkeling. Zij lijken in een loyaliteitsconflict te zitten, waarvoor zij nu als oplossing kiezen om de man niet te willen zien. In de afgelopen jaren hebben zij een minimaal beeld kunnen vormen over de man. De vrouw heeft weerstand getoond tegen het contact met de man, welke weerstand nog niet lijkt te zijn verdwenen.
De Raad vindt het noodzakelijk dat er een poging wordt ondernomen om het contact tussen de man en de minderjarigen te herstellen. Dit kan binnen de ondertoezichtstelling. Het vastleggen van een contactregeling van eens per drie maanden acht de Raad te weinig, omdat het contact met die frequentie niet wordt genormaliseerd. De Raad acht een contact per maand of per twee maanden, al dan niet onder begeleiding, passender. Het is daarbij de taak aan de vrouw om de negatieve emoties van de minderjarigen over de man te neutraliseren en te reguleren. De Raad hoopt op een doorbraak in het cotnactherstel, maar benadrukt daarbij dat er van partijen daarin nog veel verwacht mag worden.

5.De (nadere) beoordeling

Vaststelling verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.1.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
5.2.
De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
5.3.
De rechtbank beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Vastgesteld is dat het de ouders niet lukt om overeenstemming met elkaar te bereiken over het contact tussen de man en de minderjarigen. Dit impliceert dat de rechtbank op de resterende verzoeken van partijen dient te beslissen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Bij beschikking van 16 oktober 2025, in de zaak met kenmerk C/02/439499 / JE RK 25-1615, waarnaar de rechtbank hier kortheidshalve verwijst, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met zes maanden. In die beschikking heeft de kinderrechter haar zorgen geuit over het uitblijven van contact tussen de man en de minderjarigen, alsook over de ouderstrijd tussen partijen. Binnen de ondertoezichtstelling dient hulpverlening ingezet te worden (dan wel te worden gecontinueerd) die (onder meer) ziet op het monitoren van de contacten tussen de man en de minderjarigen en beziet hoe zij reageren op kaartjes van de man.
5.5.
Voormelde maakt dat naar het oordeel van de rechtbank binnen de ondertoezichtstelling dient te worden onderzocht hoe het contact tussen de man en de minderjarigen verder vormgegeven gaat worden. Met de Raad ziet de rechtbank daarbij ook de noodzaak van het inzetten van hulpverlening in het gedwongen kader.
5.6.
Gezien het vorenstaande en om te waarborgen dat een vorm van contact tussen de man en de minderjarigen zal aansluiten bij hun ontwikkeling en (opvoed)behoefte, acht de rechtbank het van belang dat de invulling van de contactregeling binnen de ondertoezichtstelling plaatsvindt onder regie van de GI. De contactregeling zoals door de GI is geadviseerd, zoals in deze beschikking is weergegeven onder rechtsoverweging 2.7. kan uiteindelijk wellicht als uitgangspunt gelden. De rechtbank acht de door de GI geadviseerde regeling op dit moment echter niet in het belang van de minderjarigen, nu de minderjarigen al langere tijd geen contact hebben met de man. De rechtbank acht passend een minimale regeling, waarbij de man en de minderjarigen recht hebben op een minimale vorm van (begeleid) contact, indien de GI en de betrokken hulpverlening dat in het belang van de minderjarigen achten. De regie voor het monitoren, evalueren en nader concretiseren van deze minimale vorm van (begeleid) contact ligt bij de GI (in samenspraak met de betrokken hulpverlening, die zicht hebben op hoe de minderjarigen reageren op een vorm van contact met de man).
5.7.
Wanneer hulpverlening voldoende zicht heeft op de situatie en daarover concreet adviseren kan, is het aan de GI om een concretere contactregeling te bewerkstelligen óf te bezien of partijen daarover overeenstemming met elkaar kunnen bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om onderhavige zaak (opnieuw) aan te houden.
5.8.
Zoals bij de zitting is besproken, acht de rechtbank het positief dat de man toezegt zich voor hulpverlening in te spannen en zich in de toekomst, door middel van het versturen van kaartjes, geïnteresseerd te tonen. Het tonen van interesse impliceert ook dat de man zich actief informeert over hoe het met de minderjarigen gaat, zodat hij daarop in het fysiek contact of via een kaartje kan inspelen. De rechtbank wijst de man er op dat wanneer hij zijn toezegging niet waarmaakt, dit mogelijk leidt tot onomkeerbare gevolgen en een blijvend contactverlies. Het is aan de man, door actief te handelen, om dit te voorkomen. Anderszijds is de rechtbank het met de man eens dat dit van de vrouw vergt dat zij het contact tussen de man en de minderjarigen blijft stimuleren, zij negatieve emoties bij hen neutraliseert en zij hen de mogelijkheid blijft geven om een positief beeld te vormen over de man. Daarbij past van beide partijen dat zij zich inzetten om de ouderstrijd te staken. Dit zijn zij aan de minderjarigen verplicht.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De rechtbank zal haar beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat deze beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen kan worden uitgevoerd.
Proceskosten
5.10.
De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren, gelet op hun relatie tot elkaar en nu het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015 en
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, gerechtigd zijn tot:
- het hebben van een minimale vorm van (begeleid) contact met elkaar onder regie van de GI, als de GI en hulpverlening dit in het belang van de minderjarigen achten, waarbij onder regie van de GI de minimale vorm van (begeleid) contact zal worden gemonitord, geëvalueerd en nader geconcretiseerd;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 oktober 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.