ECLI:NL:RBZWB:2025:7329

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/434930 / JE RK 25-820
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen van 15 oktober 2025 tot 15 juli 2026. De kinderrechter heeft op 13 oktober 2025 een zitting gehouden waarbij de ouders, vertegenwoordigers van de GI en de minderjarige aanwezig waren.

Uit het gezinsdiagnostisch onderzoek en het verslag van de GI blijkt dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de hechtingsrelaties tussen de minderjarige en haar ouders. De moeder heeft moeite om adequaat aan te sluiten bij de behoeften van de minderjarige, mede door eigen trauma's, en de vader toont onvoldoende betrokkenheid bij de hulpverlening. De minderjarige vertoont verontrustend gedrag zoals schoolverzuim en lichamelijke klachten.

De moeder erkent bepaalde zorgen maar verzet zich niet tegen verlenging; zij werkt mee aan hulpverlening en is gestart met therapie. De vader erkent het probleem deels en is bereid hulp te accepteren indien nodig. De kinderrechter concludeert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening en verlengt daarom de ondertoezichtstelling tot 15 juli 2026. De beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 15 juli 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/434930 / JE RK 25-820
Datum uitspraak: 13 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte te Rotterdam,
ter zitting waargenomen door kantoorgenoot mr. F. Pool,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 7 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het verslag van de GI van 27 augustus 2025, ontvangen door de griffie op diezelfde datum;
  • de schriftelijke reactie namens de moeder van 8 september 2025.
1.2.
Op 13 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigers namens de GI, te weten de betrokken jeugdbeschermer en een jurist;
  • de moeder bijgestaan door mr. F. Pool;
  • de vader.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 15 juli 2025 tot 15 oktober 2025.
Het resterende gedeelte van het verzoek van de GI is aangehouden tot 28 augustus 2025 PRO FORMA, in afwachting van een verslag van de GI met daarin een actuele weergave van de stand van zaken en een toelichting op de uitkomsten van het gezinsdiagnostisch onderzoek (GDO), alsmede haar standpunt ten aanzien van het resterende verzoek.
2.4.
De GI heeft op 27 augustus 2025 voornoemd verslag bij de rechtbank ingediend. Aan de ouders is gelegenheid geboden om uiterlijk 11 september 2025 schriftelijk te reageren en aan de rechtbank kenbaar te maken of zij een mondelinge behandeling wensen.
2.5.
De moeder heeft in een schriftelijke reactie kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij wenst een mondelinge behandeling. De vader heeft niet gereageerd.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het resterende gedeelte van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de periode van 15 oktober 2025 tot 15 juli 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door de GI is naar voren gebracht dat uit de uitkomsten van het gezinsdiagnostisch onderzoek door [hulpverlening] verschillende zorgen naar voren komen. Gebleken is dat de moeder, vanuit haar eigen trauma, [minderjarige] in bescherming wil nemen. In haar manier van coping heeft de moeder moeite om (leeftijds)adequaat aan te sluiten bij [minderjarige] . De moeder verlangt nabijheid van [minderjarige] . [minderjarige] slaapt nog steeds meerdere avonden in de week bij de moeder in bed. Volgens de GI gaat het met periodes goed, maar gaat het op momenten waarin de moeder stress of spanning ervaart ook vaak mis. Gezien wordt dat als de moeder veel aan haar hoofd heeft, zij het moeilijk vindt om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] , de aangeleerde handvatten toe passen en hulpverleningsafspraken door te laten gaan. Dit heeft zijn weerslag op [minderjarige] . Er zijn zorgen dat [minderjarige] de zorgen voor de moeder op zich neemt, maar ook – gelet op de ervaringen tot op heden – dat zij van school verzuimt en lichamelijke klachten ervaart. Door [hulpverlening] wordt een zorgelijke hechtingsrelatie geconstateerd tussen [minderjarige] en de moeder. De GI maakt zich, met [hulpverlening] en de school, zorgen over de kwetsbaarheid van de situatie. [minderjarige] lijkt het beter te doen op school, maar gebleken is dat zij ook manipulatief en beïnvloedbaar is. [minderjarige] is gesloten in therapie en zij stelt zich sociaal wenselijk op. Het is moeilijk om de situatie te doorbreken.
Ook tussen [minderjarige] en de vader is er sprake van een verstoorde hechting. [minderjarige] slaapt nog steeds niet thuis bij de vader. De gevoelens en behoeften van de vader en zijn partner zijn nog steeds leidend, in plaats van die van [minderjarige] . [minderjarige] wordt nu nog opgevangen door opa en oma (vz), maar het is gelet op de ziekte van opa onzeker of en hoe zij er voor [minderjarige] kunnen zijn. De GI maakt zich onverminderd zorgen over de oppervlakkige band tussen [minderjarige] en de vader, het onvermogen van de vader om zich in [minderjarige] te kunnen verplaatsen, en het feit dat de vader weinig tijd heeft vrijgemaakt voor de hulpverlening. Volgens de GI is opvoedondersteuning voor de vader, ook in de thuissituatie bij de vader en zijn partner, nodig voor [minderjarige] . De vader wil echter niet dat zijn partner betrokken wordt in de hulpverlening voor [minderjarige] .
Volgens de GI is opvoedondersteuning in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende om de situatie te doorbreken en de zorgen over [minderjarige] te doen afnemen. De GI heeft daarom een moeder-kind-opname voorgesteld, zodat naast 24/7 intensieve opvoedondersteuning ook individuele begeleiding en behandeling kan worden geboden, maar hieraan wil de moeder niet meewerken. De GI heeft een verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de rechtbank ingediend.
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het niet eens is met de zienswijze van de GI. Zij herkent zich in bepaalde zorgen, maar niet in de mate zoals de GI deze schetst. De moeder ziet in dat er zorgen zijn over het samen slapen en de mate waarin zij steun bij [minderjarige] zoekt. Eerder waren er veel meldingen door Veilig Thuis vanwege een oud-buurvrouw. Dit ging met de nodige onrust gepaard. Gevoelsmatig zijn de moeder en [minderjarige] nu in rustiger vaarwater beland, in de nieuwe woning en op een nieuwe school. [minderjarige] is daar goed gestart en de moeder ervaart nu meer rust en stabiliteit. De moeder is gestart met medicatie die aanslaat en ervaart nu ook ruimte voor EMDR. Twee weken geleden is zij hiervoor begonnen bij [praktijk] . De huisarts en praktijkondersteuner kijken op afstand mee. [hulpverlening] is ook nog steeds betrokken. Weliswaar geeft de school aan niet helemaal zonder zorgen te zijn, maar zij benoemen ook positieve dingen. Het is zeer de vraag of een gezinsopname passend en nodig is of dat individuele hulpverlening voor de moeder volstaat in combinatie met opvoedondersteuning en therapie voor [minderjarige] . De moeder verzet zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar is zeer aangedaan door het verzoek van de GI dat nu voorligt om [minderjarige] uit huis te plaatsen. Zij doet haar best, ook door nu zelf hulp te organiseren en mee te werken aan de al ingezette hulpverlening.
De vader heeft naar voren gebracht dat het hem om het even is of de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Hij kan zich niet vinden in de manier waarop [hulpverlening] conclusies heeft getrokken, omdat zij hem maar één keer samen met [minderjarige] hebben gezien. Dat neemt niet weg dat hij zich in sommige stukken wel herkent, maar dat is iets waar hij zelf aan wil werken. De vader probeert zijn band met [minderjarige] zo goed mogelijk te behouden en aan te sterken. Dat moet uit zijn vaderrol komen, naar [minderjarige] toe, en niet vanuit hulpverlening. Volgens de vader heeft het tijd nodig om de band te verbeteren. Desgevraagd geeft hij aan dat als het noodzakelijk is, hij daarvoor hulp zal accepteren. Indien nodig kan [minderjarige] bij zijn grootouders terecht.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter handhaaft al hetgeen reeds in de beschikking van 7 juli 2025 is overwogen. Zowel de moeder als de vader waren ten tijde van de vorige mondelinge behandeling van mening dat de zorgen die aanleiding waren voor de ondertoezichtstelling waren afgenomen en zij de betrokken hulpverlening in een vrijwillig kader zouden kunnen voortzetten. Die zienswijze kon echter niet worden getoetst bij de betrokken jeugdbeschermer. Hoor en wederhoor is noodzakelijk om nader te kunnen beoordelen of en wanneer in de optiek van de GI de hulpverlening (en welke?) op vrijwillige basis zou kunnen worden voortgezet. De ondertoezichtstelling is daarom voor een kortere duur verlengd dan verzocht en verder pro forma aangehouden in afwachting van een verslag van de GI waarin deze vragen aan bod komen en waarin ook een toelichting op de uitkomsten van het GDO wordt gegeven.
5.2.
De GI heeft aan die opdracht voldaan middels haar verslag van 27 augustus 2025. De kinderrechter betreurt het dat de GI alsnog de uitkomsten van dit onderzoek niet heeft overgelegd bij haar verslaglegging, maar maakt daaruit wel op dat de zorgen zoals die er ten tijde van het verlengingsverzoek waren nog niet zijn afgenomen. [minderjarige] heeft dit schooljaar een fijne start gemaakt in de nieuwe klas, dat is een plus, maar er zijn nog steeds zorgen vanuit school en de betrokken hulpverlening over het gedrag dat zij bij [minderjarige] waarnemen. De vraag is vooral: hoe moeten we dat duiden en wat betekent dit voor [minderjarige] ? Vanuit het onderzoek van [hulpverlening] komt naar voren dat er sprake is van een verstoorde hechting tussen [minderjarige] en de moeder en het de moeder onvoldoende structureel lukt om emotioneel beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Als het haar te veel wordt, heeft zij zichzelf niet altijd in de hand. Daardoor ontbreekt voor [minderjarige] een stukje veiligheid, om emotioneel terug te kunnen vallen op haar moeder. Zeer zorgelijk is dat [minderjarige] de zorgrol over lijkt te nemen. Ook tussen [minderjarige] en de vader wordt een verstoorde hechting waargenomen en zijn er bovendien zorgen dat de vader geen tijd vrij lijkt te maken voor de hulpverlening. Het is hierin gelegen dat nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders gedurende de ondertoezichtstelling aansturing nodig hebben gehad op het aanwezig zijn bij afspraken en het meewerken aan de hulpverlening, ook door [minderjarige] zelf. Nu zij een andere kijk hebben op wat nodig is in de situatie, acht de kinderrechter deze nog niet bestendig genoeg om over te hevelen naar een vrijwillig kader. Het is de komende periode van belang dat de GI, in samenspraak met de ouders, onderzoekt wat er nodig is voor [minderjarige] en hoe dit het best kan worden bereikt. De kinderrechter verwacht dat de stappen van de moeder zorgvuldig worden meegenomen in dat proces. Het is knap dat zij nu (ook) traumatherapie aangaat. Het is de vraag welke invloed dit op [minderjarige] heeft. Van de GI wordt verwacht dat zij het belang van [minderjarige] nauwgezet monitoren.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende duur, te weten tot 15 juli 2026.
Ten overvloede
5.5.
De kinderrechter overweegt ten overvloede dat zij zeer kort voor de zitting heeft begrepen dat de GI een verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft ingediend. Dit verzoek is daarom ook geen onderwerp van gesprek geweest met [minderjarige] . Tijdens de zitting is aan de orde gesteld dat dit verzoek op een later moment zal worden behandeld. [minderjarige] zal wederom een uitnodiging krijgen om met de kinderrechter te spreken. Nu [minderjarige] kort geleden nog heeft gesproken met de kinderrechter kan zij zich voorstellen dat zij daarvan afziet, tenzij zij dat uiteraard graag zelf wenst.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 20 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.