ECLI:NL:RBZWB:2025:7339

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/437747 / JE RK 25-1296
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ASS

De zaak betreft een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. De minderjarige verblijft reeds op een gesloten groep van jeugdhulp en het resterende deel van het verzoek betrof verlenging van de machtiging voor drie maanden, van 23 oktober 2025 tot 23 januari 2026.

Tijdens de zitting is gebleken dat de minderjarige zich positief heeft ontwikkeld, gemotiveerd is voor behandeling, school en werk, en openstaat voor een EMDR-traject. Bij onderzoek is vastgesteld dat de minderjarige een Autisme Spectrumstoornis (ASS) heeft. De minderjarige zal naar verwachting begin november 2025 overstappen naar een hybride groep van jeugdhulp dichter bij zijn moeder, met als doel geleidelijke terugkeer naar huis.

De kinderrechter stelt vast dat ondanks de positieve ontwikkelingen nog sprake is van ernstige problemen die de ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren. De machtiging wordt daarom toegekend voor drie maanden om de positieve ontwikkeling te bestendigen en terugval te voorkomen. De beslissing is genomen met instemming van de gedragswetenschapper, de minderjarige en zijn moeder.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het resterende verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp toe voor drie maanden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437747 / JE RK 25-1296
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROOSENDAAL,
zetelende in Roosendaal,
hierna te noemen het college,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat: mr. M. Houweling uit Roosendaal.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de brief van het college van 17 september 2025 met als bijlagen ‘Mijn Toekomstplan’ van [minderjarige] vanuit [jeugdzorg] van 19 augustus 2025 en de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper van 17 september 2025.
1.2.
Op 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting ook apart is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van het college.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 14 juli 2025, opgevolgd door de beschikking van 23 juli 2025, is ten aanzien van [minderjarige] , een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 23 oktober 2025. Het resterende deel van het verzoek van het college is bij voormelde beschikking van 23 juli 2025 aangehouden tot de onderhavige zitting, waarbij het college is verzocht om de kinderrechter tijdig voorafgaand aan die zitting schriftelijk te informeren, zijn standpunt te geven over het resterende deel van het verzoek en, indien het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd, een nieuwe actuele (instemmende) verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper te overleggen die [minderjarige] kort daaraan voorafgaand feitelijk heeft onderzocht en waarbij de instemming ziet op het resterende deel van het verzoek.
2.3.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging op de gesloten [groep] van [jeugdzorg] in [plaats 2].

3.Het verzoek

3.1.
Ter beoordeling ligt voor het resterende deel van het verzoek van het college om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te verblijven voor de periode van
23 oktober 2025 tot 23 januari 2026.

4.De standpunten

4.1.
Bij brief van 17 september 2025 heeft het college de kinderrechter geïnformeerd dat het toekomstplan van [minderjarige] vanuit [jeugdzorg] een positieve ontwikkeling beschrijft. [minderjarige] wil graag zijn behandeling bij [jeugdzorg] afmaken. Hij staat open voor een diagnostisch onderzoek naar een mogelijke Autisme Spectrumstoornis (ASS) bij hem en voor traumabehandeling. [minderjarige] wil onderwijs gaan volgen op het [school] in [plaats 3] . Daarnaast wil [minderjarige] gaan werken en weer aan de slag met muziek en tekenen. [minderjarige] is gemotiveerd om de resterende tijd bij [jeugdzorg] actief te benutten. Zijn wens is om door te stromen naar de [locatie] van [jeugdzorg] zodat hij stapsgewijs kan werken aan het voormelde en kan groeien in zelfstandigheid met structuur en begeleiding. Op termijn wil [minderjarige] graag naar huis.
4.2.
Ter zitting heeft het college, in aanvulling op de voormelde brief, nog naar voren gebracht dat [minderjarige] inmiddels is onderzocht en dat bij hem ASS is vastgesteld. Vermoedelijk kan [minderjarige] begin november 2025 de overstap maken naar de hybride groep van [jeugdzorg] in [plaats 1] , waardoor hij weer dichter bij de moeder komt te wonen. Belangrijk is dat de rust en regelmaat die [minderjarige] nu ervaart, wordt voortgezet. Hij gaat een EMDR-traject volgen, maar de startdatum hiervan is nog niet bekend. De bedoeling is om vanuit de hybride groep, in het geval [minderjarige] zich positief blijft ontwikkelen, met inzet van systemische hulpverlening geleidelijk toe te werken naar een terugkeer van hem bij de moeder.
4.3.
[minderjarige] heeft, in het bijzijn van zijn advocaat, verteld dat het goed met hem gaat. Het bevalt goed op de gesloten groep van [persoon] van [jeugdzorg] . Hij staat er voor open om over enkele weken de overstap te maken naar de hybride groep van [jeugdzorg] in [plaats 1] , en denkt daar klaar voor te zijn. Daarna wil [minderjarige] weer graag bij zijn moeder gaan wonen. Het contact tussen hem en zijn moeder is goed. [minderjarige] mag op zijn verjaardag voor het eerst op verlof naar zijn moeder. Hij kijkt daarnaar uit. [minderjarige] staat open voor het volgen van een EMDR-traject.
4.4.
Door de advocaat van [minderjarige] is tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] zich in de afgelopen maanden positief heeft ontwikkeld. Hij gedijt goed bij [jeugdzorg] . [minderjarige] kan instemmen met het plan dat voor ligt, waarbij [minderjarige] over enkele weken de overstap zal maken naar de hybride groep van [jeugdzorg] in [plaats 1] . Gehoopt wordt dat aan dit plan wordt vastgehouden door het college en [jeugdzorg] . Er wordt voor wat betreft het restverzoek gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter.
4.5.
De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij heel trots is op [minderjarige] . [minderjarige] heeft hard gewerkt aan zichzelf en mooie stappen vooruit gezet. Zij ziet de plaatsing van [minderjarige] op de hybride groep van [jeugdzorg] in [plaats 1] als tussenstap, van waaruit geleidelijk wordt toegewerkt naar een terugplaatsing van hem bij haar. De moeder staat open voor de inzet van systemische hulpverlening. Nu door middel van onderzoek is vastgesteld dat bij [minderjarige] sprake is van ASS, krijgt de moeder handvatten aangeboden hoe zij hiermee het beste met hem kan omgaan. De moeder vindt dit heel fijn.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt op basis van de voorliggende stukken en datgene dat tijdens de zitting naar voren is gebracht dat het goed met [minderjarige] gaat. [minderjarige] heeft in de afgelopen maanden meegewerkt aan zijn plaatsing bij [jeugdzorg] . Hij staat open voor behandeling en is gemotiveerd voor school, werken en het oppakken van zijn hobby’s. [minderjarige] werkt hard aan zichzelf. Daarnaast staat hij in goed contact met zijn moeder. Dit stemt de kinderrechter zeer positief en [minderjarige] verdient daarvoor een groot compliment.
5.2.
Vanwege de stappen die [minderjarige] heeft gemaakt en het positieve gedrag dat hij laat zien, is [minderjarige] inmiddels aangemeld voor een hybride groep van [jeugdzorg] in [plaats 1] waar hij, naar verwachting, begin november 2025 terecht kan. De bedoeling is dat [minderjarige] op deze groep met structuur en begeleiding stapsgewijs verder kan groeien in zelfstandigheid. Uit de voorliggende stukken blijkt dat het college, [jeugdzorg] en de gedragswetenschapper een plaatsing van [minderjarige] op de hybride groep van [jeugdzorg] in [plaats 1] , als tussenstap van waaruit wordt toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, passend achten. De kinderrechter kan dit onderschrijven. [minderjarige] moet de kans worden geboden om zich op de hybride groep verder te ontwikkelen. Belangrijk is, zoals vermeld door de gedrags-wetenschapper in zijn verklaring, dat ook op de hybride groep aandacht blijft voor de sociale weerbaarheid van [minderjarige] , het leren hanteren van grenzen en dat [minderjarige] wordt begeleid naar een passende opleiding waar zijn talenten tot bloei kunnen komen. [minderjarige] zal op zijn beurt op de hybride groep, waar hem meer vrijheden zullen worden geboden, goed zijn best moeten blijven doen. Daarbij spreekt de kinderrechter de hoop uit dat wanneer [minderjarige] met tegenslagen wordt geconfronteerd hij zich open kan (blijven) stellen voor hulp en ondersteuning van de professionals. Een terugval in het gedrag van [minderjarige] moet worden voorkomen. Dit zou namelijk zonde zijn van al het harde werk dat hij heeft verricht.
5.3.
Naar het oordeel van de kinderrechter is de komende periode van drie maanden nog nodig om de huidige positieve ontwikkeling te bestendigen. Hoewel [minderjarige] gemotiveerd is om zijn situatie te veranderen en daaraan meewerkt, is er bij hem nog altijd sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Een langer verblijf van hem binnen een gesloten accommodatie voor jeugdhulp bij [jeugdzorg] is noodzakelijk om te werken aan een vermindering van zijn problematiek en kwetsbaarheden, en om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van het college, mede gelet op de instemming van de gedragswetenschapper, [minderjarige] en zijn moeder, toewijzen. Aan de vereisten van artikel 6.1.2, tweede lid, van de Jeugdwet wordt voldaan.
5.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 januari 2026.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 13 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.