ECLI:NL:RBZWB:2025:7342

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439731 / JE RK 25-1657
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2010 en 2012, die bij de moeder wonen. De kinderen vertonen ernstige gedragsproblemen, waaronder agressief gedrag en middelengebruik, en zijn daardoor bedreigd in hun ontwikkeling. De moeder is overbelast en niet meer in staat de opvoeding alleen aan te kunnen.

Tijdens de zitting werd bevestigd dat de kinderen, ondanks ingezette hulpverlening, nog steeds ernstige ontwikkelingsbedreigingen ondervinden. De oudste volgt een traject bij een hulpverleningsinstantie en de jongste zit in een speciale klas vanwege emotionele problemen. Beide kinderen vertonen weerstand tegen hulpverlening en gezagsuitoefening van de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van de relevante wetsartikelen wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, omdat de hulpverlening intensief en multidisciplinair moet worden voortgezet en de huidige situatie zonder toezicht onveilig blijft.

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en ingeschreven in het gezagsregister. De kinderen en ouders kunnen binnen drie maanden tegen deze beschikking hoger beroep instellen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd voor één jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439731 / JE RK 25-1657
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 29 augustus 2025, ontvangen op 15 september 2025;
- het stelbericht van mr. Czarnota van 18 september 2025;
- het e-mailbericht van [minderjarige 1] van 2 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een gesprek met de kinderrechter. Zij hebben hiervan beiden geen gebruik gemaakt. Wel heeft [minderjarige 1] een e-mail geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] hem heeft geschreven. De betrokkenen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 29 oktober 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 3 november 2025.
2.4.
Beide ouders, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Poolse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vertegenwoordigster van de GI heeft, onder verwijzing naar het verzoekschrift met bijlagen, ter zitting aangevoerd dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de afgelopen periode zijn toegenomen. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging op meerdere levensgebieden. [minderjarige 1] is niet langer welkom op het [middelbare school 1] vanwege herhaaldelijk verbaal en agressief gedrag. Hij is daarom volledig uitgevallen in zijn schoolloopbaan. Er was een alternatieve vorm van dagbesteding voor [minderjarige 1] gevonden bij [hulpverlening 1] , maar ook daar is hij niet meer welkom vanwege een incident dat zich heeft voorgedaan tussen [minderjarige 1] en de eigenaar van [hulpverlening 1] . Inmiddels is [minderjarige 1] gestart bij [hulpverlening 2] , waar hij een traject van zestien weken volgt. Via sportactiviteiten werkt [minderjarige 1] aan het herkennen van emoties, het leren omgaan met gevoelens en het stellen en bewaken van grenzen. [minderjarige 2] is recent gestart op de middelbare school [middelbare school 2] in [plaats 2] . Vanwege zorgen over zijn emotieregulatie, boosheid en worsteling met emoties is [minderjarige 2] geplaatst in een bijzondere klas met maximaal vijftien leerlingen. Hij krijgt theorielessen van één vaste docent, zijn mentor. Geleidelijk wordt bekeken of [minderjarige 2] kan doorstromen naar een reguliere klas met minder begeleiding.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn beiden veel buitenshuis en veroorzaken daar overlast. [minderjarige 1] rookt marihuana met zijn vrienden en dit gebeurt volgens de moeder bijna dagelijks. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] accepteren het gezag van de moeder nauwelijks en de moeder is niet meer in staat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan te sturen. Zij houden zich niet aan afspraken, trekken hun eigen plan, hangen rond met verkeerde jongeren en komen laat thuis. Daarnaast is er sprake van (heftige) onderlinge ruzies tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Sinds september 2028 heeft er geen (fysiek) contact meer plaatsgevonden tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun vader. Hierop wordt door de GI op dit moment ook niet ingezet. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tonen nog altijd veel weerstand tegen contact met de vader. Bovendien is door de kinderrechter in de laatste beschikking van 29 oktober 2024 overwogen dat de eerste prioriteit van de hulpverlening dient te zijn gericht op wat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben, en dat het (contact)herstel vooralsnog geen voorliggend doel is.
Inmiddels is de hulpverlening gestart. [hulpverlening 3] biedt individuele en systemische hulp, waarbij ook de gezinsdynamiek wordt aangepakt. De gezinsbehandelaar is actief betrokken en ondersteunt bij afspraken, zoals op school of (in het verleden) bij [hulpverlening 1] . Daarnaast zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangemeld bij [begeleiding] voor individuele begeleiding op laagdrempelig niveau, gericht op dagelijkse ondersteuning zoals dagplanning en op tijd op school komen. De begeleiding van [begeleiding] zal op korte termijn starten.
Gezien de veelheid aan zorgen op de diverse levensgebieden, de kwetsbare ontwikkelingsfase waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bevinden en de noodzaak tot voortzetting van intensieve hulpverlening, is volgens de GI een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar (zeker) nog nodig. Dit geldt te meer nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich steeds meer lijken af te keren van hulpverlening, en de moeder op dit moment overbelast is. De moeder zet zich onvermoeibaar in en werkt mee aan de hulpverlening, maar geeft duidelijk aan dat zij de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer aan kan en volledig uitgeput is. Er is derhalve nog steeds een regievoerder nodig die kan doorpakken wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en/of de moeder dreigen af te haken. Om een veilige en stabiele thuissituatie te kunnen realiseren is een intensieve en multidisciplinaire aanpak nodig. [hulpverlening 3] geeft aan dat de hulp die zij bieden te laagdrempelig is om een vorm van verandering in het systeem of gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te brengen. De GI heeft intern overwogen of er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] verzocht moet worden. Zij wil echter eerst nog onderzoeken of er Multi Systeem Therapie (hierna: MST) binnen het gezin mogelijk is, met als doel het verminderen van de ernstige gedragsproblemen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en er zorg voor te dragen dat het gezin en de omgeving in staat zijn om toekomstige problemen zelfstandig het hoofd te bieden. Vooralsnog geeft de moeder aan zowel praktisch als geestelijk geen ruimte te hebben voor het aangaan van een MST-traject. Bovendien is voor een dergelijk traject ook de inzet van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig.
4.2.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting aangevoerd dat zij kan instemmen met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder maakt zich veel zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en op dit moment met name over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] blowt heel veel en lijkt hieraan inmiddels verslaafd te zijn. De moeder kan hierover geen afspraken met [minderjarige 1] maken. Als zij [minderjarige 1] aanspreekt op zijn blowgedrag, wordt hij heel boos op haar. [minderjarige 1] laat zich in zijn gedrag niet sturen door de moeder. De middelen die normaliter bij een ‘gemiddelde’ puber worden ingezet om positief gedrag te stimuleren werken bij [minderjarige 1] niet. Hij is hiervoor niet gevoelig. [minderjarige 2] doet het goed op zijn nieuwe school. Hij gaat elke dag naar school en haalt goede cijfers. Wel wordt [minderjarige 2] op een negatieve manier beïnvloed door het gedrag van [minderjarige 1] . Hij wil net als [minderjarige 1] zijn eigen gang kunnen gaan.
De moeder heeft het heel zwaar. Zij weet niet meer wat zij moet doen om tot een verbetering van de situatie te komen. Met name [minderjarige 1] is niet gemotiveerd voor hulp, en ziet daarvan de noodzaak niet in. De moeder hoopt dat de hulpverlening van [begeleiding] hierin verandering kan brengen. De vraag is of een eventuele machtiging tot uithuisplaatsing van, in eerste instantie, [minderjarige 1] soelaas zou bieden. [minderjarige 1] komt dan in een omgeving met andere kinderen die ook problemen hebben. Dit zou hem negatief kunnen beïnvloeden. Tegelijkertijd zou dit [minderjarige 1] ook tot inkeer kunnen brengen wat betreft zijn gedrag en de gevolgen daarvan op zijn leven. De moeder weet niet wat hierin wijsheid is. Wel is het voor haar duidelijk dat de huidige situatie op deze manier niet langer kan voortduren.
4.3.
De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij eveneens kan instemmen met het verzoek van de GI. De vader accepteert voor nu dat er geen contact is tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij staat in contact met de GI en wordt betrokken bij zaken die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreffen. De vader spreekt de hoop uit dat een verlenging van de ondertoezichtstelling gaat bijdragen aan een verbetering van de situatie. De zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn groot.
4.4.
[minderjarige 1] heeft in zijn e-mail aangegeven dat hij niet langer onder toezicht van de GI wil staan. Dit omdat een ondertoezichtstelling hem niet helpt, maar juist stress geeft. Hij doet erg zijn best. Hij volgt een traject bij [hulpverlening 2] en zet daar goede stappen. Hij heeft binnenkort een stageplek waar hij kan beginnen en zijn certificaat kan halen. [minderjarige 1] heeft daar veel zin in.

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de ouders de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of hij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 van Pro de Verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer (de verlenging van) de ondertoezichtstelling van minderjarigen. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.5.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
5.6.
De kinderrechter is op basis van de overgelegde stukken en datgene dat tijdens de zitting naar voren is gebracht van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn al lange tijd zorgen over hen en deze zorgen zijn in de afgelopen periode, ondanks de hulpverlening die is ingezet, alleen maar toegenomen. De doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gesteld, zijn nog niet behaald. Om tot een verandering van de situatie te kunnen komen is de inzet van intensieve en multidisciplinaire hulpverlening nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar met name [minderjarige 1] , vertonen echter weerstand tegen hulpverlening. De moeder staat open voor hulpverlening, maar is zij is overbelast geraakt waardoor zij op dit moment geen ruimte ziet om, naast de reeds betrokken hulpverlening, deel te nemen aan een MST-traject. Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter het risico te groot dat de hulpverlening zal stagneren als hulp in het vrijwillig kader zou plaatsvinden. Betrokkenheid en regievoering vanuit de GI is nodig om de noodzakelijk geachte hulpverlening te organiseren en te waarborgen. Gezien de ernst van de problematiek en de stappen die nog gezet moeten worden, acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, zoals verzocht door de GI, passend en aangewezen.
5.7.
De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de zorgen die over hun bestaan gaan erkennen, en gaan inzien dat zij beiden hulpverlening nodig hebben om zich positief te kunnen ontwikkelen. Zij kampen, (mede) als gevolg van hun belaste verleden, met ernstige gedragsproblemen, die een goede toekomst in de weg staan. De moeder wil heel graag werken aan een verbetering van de situatie en doet daarvoor hard haar best, maar daarvoor is ook de inzet van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig. De kinderrechter is gebleken dat de jeugdzorgwerkster van de GI dit (meermaals) met beide jongens heeft besproken, maar vooralsnog vindt zij bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen gehoor. De kinderrechter betreurt dit zeer. Hij hoopt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich in ieder geval open gaan stellen voor de begeleiding die [begeleiding] hun gaat bieden. Gezien de aanwezige problematiek is het belangrijk dat de hulpverleners die voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden aangesteld stevige professionals zijn met een sterke persoonlijkheid met gezag, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet de ruimte voelen om met hun begeleiders een loopje te nemen. Hopelijk biedt de begeleiding van [begeleiding] op termijn bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een opening voor het starten van het noodzakelijk geachte MST-traject binnen het gezin. Daarbij dienen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich te realiseren dat alle betrokkenen om hen heen het beste met hun voor hebben, maar ook dat het vijf voor twaalf is. De moeder is zeer betrokken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar is als gevolg van hun gedragsproblematiek overbelast geraakt waardoor zij de zorg en opvoeding van hen nauwelijks meer aan. In goede samenwerking met de hulpverlening kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , samen met de moeder, hierin een verandering brengen.
5.8.
Op basis van het bovenstaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en aldus beslissen dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de duur van een jaar met ingang van 3 november 2025 tot 3 november 2026.
5.9.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 3 november 2025 tot 3 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 9 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.