ECLI:NL:RBZWB:2025:7357
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag bpm en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag bpm van €9.035 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, mede omdat de auto op het moment van het belastbare feit geen schade had en de inspecteur daarom geen rekening hoefde te houden met een taxatierapport dat schade vermeldde.
De rechtbank overweegt dat het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juni 2020 alleen een beleidsmatige verlenging van de geldigheidsduur van taxatierapporten vanwege de coronacrisis betreft, maar geen verandering in de beoordeling van het belastbare feit. Hierdoor kan belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan het taxatierapport met schade.
Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De overschrijding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten toegekend aan belanghebbende. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag bpm wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.