ECLI:NL:RBZWB:2025:7380

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/440587 / JE RK 25-1802
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging verblijfplaats minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om toestemming voor wijziging van de verblijfplaats en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verbleef eerder bij haar grootouders in een pleeggezin, maar door een crisissituatie bij haar naschoolse dagbehandeling werd zij tijdelijk geplaatst in een crisisvoorziening.

Tijdens de zitting, waarbij de moeder en vader niet aanwezig waren, werd het verzoek aangevuld met een machtiging tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie en aansluitend bij de grootouders. De kinderrechter constateerde dat er geen nieuwe feiten waren om de eerdere beschikking te herroepen en handhaafde deze.

De kinderrechter oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De situatie is gestabiliseerd en terugkeer naar de grootouders wordt ondersteund door de minderjarige en de pleegmoeder. Er zijn wel zorgen over emotionele spanningen en een loyaliteitsconflict bij de minderjarige, waarvoor passende hulpverlening is ingezet.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak door belanghebbenden.

Uitkomst: Verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt toegewezen en eerdere beschikking gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/440587 / JE RK 25-1802
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over (spoed)toestemming wijziging verblijfplaats en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de oma] ,
de pleegmoeder, hierna te noemen de oma,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 8 oktober 2025 met bijlagen;
  • de brief van [minderjarige] , via het e-mailbericht van de GI, ontvangen op 14 oktober 2025;
  • de schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek van de GI tijdens de zitting, ontvangen op 15 oktober 2025.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de pleegmoeder;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
Opgemerkt wordt dat de vader is opgeroepen als belanghebbende. Gebleken is echter dat de vader niet meer belast is met het gezag over [minderjarige] . De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de vader in toekomstige procedures niet langer belanghebbend is.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. De kinderrechter heeft geprobeerd om met [minderjarige] in gesprek te gaan maar dit bleek voor haar te spannend. In plaats daarvan heeft [minderjarige] een briefje geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter verteld wat [minderjarige] in haar briefje had geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (mz), verlengd met ingang van 22 december 2024 tot 22 december 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 oktober 2025 aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 oktober 2025 tot 22 oktober 2025 en heeft het verzoek voor het overige aangehouden.
2.4.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [crisisgroep] .

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het (spoed)verzoek van de GI om toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] .
3.2.
Tijdens de zitting heeft de GI het verzoek aangevuld, in die zin dat zij nu verzoekt om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de periode van 8 oktober 2025 tot 16 oktober 2025.
3.3.
Daarnaast verzoekt de GI een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (mz), met ingang van 16 oktober 2025 tot het einde van de ondertoezichtstelling. Gezien de afloopdatum van de ondertoezichtstelling ziet het verzoek daarom nu nog op een periode van twee maanden, met ingang van 16 oktober 2025 tot 22 december 2025.
3.4.
De GI verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] verbleef met een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, te weten bij haar opa en oma. Op 7 oktober deed zich een crisissituatie voor bij haar naschoolse dagbehandeling ( [organisatie] ). [minderjarige] raakte daar in conflict met twee jongens in de speeltuin, waardoor ze erg emotioneel en gespannen werd. Ze bleef negatief contact zoeken met de jongens, sprong zomaar op straat en voor auto’s en luisterde niet meer naar de begeleiding. Uiteindelijk is de politie ingeschakeld moeten worden en is er samen met [minderjarige] geprobeerd in gesprek te gaan bij [organisatie] . Na het vertrek van de politie is [minderjarige] opnieuw agressief geworden: ze gooide met spullen en was verbaal en fysiek agressief richting de begeleiding. De agressie nam niet af. Uit veiligheidsoverwegingen is toen besloten om [minderjarige] tijdelijk bij [crisisgroep] te plaatsen voor een crisisopname. [minderjarige] gaf op dat moment aan liever op de crisisgroep te willen blijven en om niet terug te willen naar haar opa en oma. Ook met oma is besproken dat het op dat moment niet haalbaar was voor [minderjarige] om nar huis terug te gaan.
4.2.
Inmiddels gaat het beter met [minderjarige] . Op de groep is ze wel verdrietig, ze eet nauwelijks, heeft moeite met contact met de groepsbegeleiding en geeft aan graag weer naar huis te willen. De GI is van mening dat dit mogelijk en wenselijk is. Bij terugkeer naar huis zal gedurende de eerste drie weken nog de resterende spoedhulp worden ingezet. Op 21 oktober 2025 vindt een overleg plaats met de betrokken hulpverlening en Crossroads om te bespreken welke vorm van hulp passend is na afloop van deze spoedhulp en welke hulpverlening zo snel mogelijk kan worden opgestart. Er zijn geen zorgen over de opvoedsituatie of woonomgeving bij de opa en oma. Wel zijn er zorgen over [minderjarige] zelf. Ze lijkt last te hebben van een loyaliteitsconflict tussen haar opa en oma en haar moeder, waardoor ze klem zit tussen hen. De GI benadrukt het belang van hulpverlening voor [minderjarige] . Er is voor [minderjarige] al een aanmelding bij [hulpverlening] gedaan voor therapie en EMDR. Het is belangrijk dat er rust in de situatie komt zodat vanuit die rust kan worden gekeken waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt en hoe de hulpverlening verder vorm kan krijgen. Daarom verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin te verlenen vanaf 16 oktober 2025 tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De oma
4.3.
De oma geeft, samengevat, aan dat het vorige week is geëscaleerd bij [organisatie] , de naschoolse behandelgroep van [minderjarige] . [minderjarige] is daar in conflict geraakt met twee jongens. Mogelijk hangt dit samen met het pesten dat al twee jaar op school speelt. Het conflict is zodanig geëscaleerd dat [minderjarige] hoog in haar emotie en spanning kwam te zitten, waarna het de begeleiders niet meer lukte om haar te kalmeren. Uit zorg voor haar eigen veiligheid is toen bewust en terecht besloten om [minderjarige] op een crisisplek te plaatsen. Inmiddels gaat het beter met haar. [minderjarige] geeft zelf aan dat ze graag terug naar huis wil. Ook de oma wil dat graag en ze denkt dat dit mogelijk is. Ze probeert [minderjarige] zoveel mogelijk veiligheid en vertrouwdheid te bieden. Wel is het fijn dat er extra ondersteuning en hulp komt in de thuissituatie. Wat de oma betreft kan [minderjarige] direct weer naar huis komen.

5.De beoordeling

Spoedverzoek wijziging verblijfplaats
5.1.
Aan de orde is het spoedverzoek van de GI om toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] . De kinderrechter dient, na het horen van de betrokkenen, te beoordelen of zich feiten en/of omstandigheden voordoen die er toe moeten leiden dat de spoedbeslissing van 8 oktober 2025 moet worden herroepen.
5.2.
Bij voornoemde beschikking is er toestemming verleend tot het wijzigen van het verblijf van [minderjarige] met ingang van 8 oktober 2025 tot 22 oktober 2025. Deze beslissing is gegeven zonder daaraan voorafgaand horen van betrokkenen. Het verzoek is verder aangehouden tot de zitting van 15 oktober 2025. Tijdens die zitting zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de beslissing van 8 oktober 2025 zou moeten worden herroepen. Dit betekent dat de beslissing zal worden gehandhaafd.
5.3.
Nu de kinderrechter hierna zal beslissen op het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing, zal zij het resterende deel van het verzoek om toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] afwijzen.
Verzoek tot machtiging uithuisplaatsing
5.4.
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende.
[minderjarige] verbleef met een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, te weten bij haar opa en oma moederszijde. Op 7 oktober is de situatie geëscaleerd bij [minderjarige] ’s naschoolse dagbehandeling. Na een conflict met twee jongens raakte [minderjarige] hoog in haar emotie, luisterde ze niet naar begeleiding, vertoonde ze gevaarlijk gedrag op straat en werd ze zowel verbaal als fysiek agressief. De politie moest hierbij worden ingeschakeld. Om haar veiligheid te kunnen waarborgen en omdat [minderjarige] niet terug wilde naar huis, is ze tijdelijk geplaatst op een [crisisgroep] .
5.5.
De GI heeft tijdens de zitting het (spoed)verzoek aangevuld, in die zin dat ze een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verzoekt in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van 7 oktober 2025 tot 16 oktober 2025. De kinderrechter zal dit verzoek toewijzen, nu gebleken is dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] ’s verzorging en opvoeding.
5.6.
Daarnaast ligt ter beoordeling voor het verzoek van de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (mz). Gebleken is dat de situatie inmiddels is gestabiliseerd. [minderjarige] geeft nadrukkelijk aan dat ze graag terug wil naar haar opa en oma en ook oma geeft aan dat ze hierachter staat. Er zijn geen zorgen over de opvoedsituatie bij de opa en oma. Wel zijn er zorgen over [minderjarige] zelf, met name over haar emotionele spanningen en het loyaliteitsconflict waarin ze lijkt te zitten. Er zijn zorgen en signalen dat ze klem zit tussen haar moeder en grootouders. Voor [minderjarige] is al een aanmelding gedaan bij [hulpverlening] voor therapie. De komende drie weken zal daarnaast de resterende spoedhulp worden ingezet om het gezin te ondersteunen. Op 21 oktober 2025 is er een overleg met de betrokken hulpverlening en Crossroads om te bepalen welke vervolghulp het beste aansluit bij de behoeften van [minderjarige] en welke hulp zo snel mogelijk kan starten.
5.7.
De thuisplaatsing van [minderjarige] sluit aan bij haar behoefte aan een veilige en vertrouwde omgeving, van waaruit passende hulpverlening kan worden opgestart. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het aanvullend verzoek van de GI toewijzen met ingang van 16 oktober 2025 tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 december 2025.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
handhaaft de beschikking van 6 oktober 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 oktober 2025 tot 16 oktober 2025;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (mz.), met ingang van 16 oktober 2025 tot 22 december 2025;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.