ECLI:NL:RBZWB:2025:7385

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/437865 / FA RK 25-3714
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
  • Jansen
  • Jurkovic
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:267 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag wegens schadelijke situatie voor minderjarige met medische problematiek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over hun minderjarige kind, geboren in 2024. De minderjarige verblijft sinds kort na geboorte in een gezinshuis vanwege prenataal drugsgebruik van de moeder en kampt met medische en vermoedelijke psychiatrische problemen. De ouders zijn verslaafd aan harddrugs en sinds augustus 2025 uit hun woning gezet, waardoor zij onbereikbaar zijn voor de gecertificeerde instelling (GI) en de gezinshuisouders.

De Raad voor de Kinderbescherming en de GI verschillen van mening over het al dan niet beëindigen van het gezag. De Raad concludeerde aanvankelijk dat beëindiging niet nodig was, maar wijzigde dit standpunt tijdens de zitting omdat de ouders al maanden geen contact meer hebben met het kind en onvoldoende betrokken zijn. De GI ondersteunt de beëindiging en wil zelf als voogd optreden.

De rechtbank oordeelt dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind, mede gezien de medische problematiek en het ontbreken van ouderlijke betrokkenheid. De rechtbank beëindigt daarom ambtshalve het gezag en benoemt de GI tot voogd, met de mogelijkheid om dit later over te dragen aan de gezinshuisouders. De beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van beide ouders wordt ambtshalve beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437865 / FA RK 25-3714
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank over de noodzaak van een gezagsbeëindiging
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ROTTERDAM-DORDRECHT, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de gezinshuismoeder]en
[de gezinshuisvader],
hierna respectievelijk te noemen: de gezinshuismoeder en de gezinshuisvader,
hierna gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders,
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesdossier bevat het verzoekschrift van de Raad, met bijlagen, ontvangen door de griffie van de rechtbank op 16 juli 2025.
1.2.
Op 9 september 2025 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
  • mr. Albicher;
  • de gezinshuisvader;
  • een vertegenwoordiger namens de GI;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.3.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling constateert de rechtbank dat beide ouders niet zijn verschenen, althans niet in persoon. Aangezien de ouders in deze procedure zijn aangemerkt als belanghebbend, dient de rechtbank te controleren of zij correct zijn opgeroepen. De rechtbank stelt vast dat de ouders op 12 augustus 2025 per aangetekende post voor de zitting zijn opgeroepen op het adres waarop zij op dat moment bij de gemeente stonden ingeschreven in de Basisregistratie personen (de Brp). Alhoewel de advocaat heeft aangegeven dat de ouders in augustus 2025 uit hun woning zijn gezet en de vader vervolgens enige tijd in een tentje in [plaats] heeft verbleven, is het de eigen verantwoordelijkheid van de ouders om een correcte Brp-inschrijving te hebben, althans om regelmatig hun brievenbus te controleren op inkomende post. Nu de oproepingen zijn gedaan op het adres waar beide ouders op dat moment een geldige Brp-inschrijving hadden, stelt de rechtbank vast dat beide ouders correct zijn opgeroepen voor de zitting. Daarbij komt nog dat de vader, aldus de advocaat, op de hoogte was van de zitting. De advocaat heeft namelijk aangegeven dat de betrokken hulpverlener vanuit [hulpverlening] de vader heeft opgezocht bij het tentje waar hij op dat moment verbleef en hij hem een brief heeft overhandigd met het verzoek om telefonisch contact op te nemen met de advocaat, hetgeen de vader vervolgens heeft gedaan. De advocaat stelt dat hij de vader op dat moment telefonisch op de hoogte heeft gebracht van de zitting, maar omdat het contact naar eigen zeggen wat rommelig verliep, heeft de advocaat niet met de vader kunnen spreken over de inhoud van het verzoek en de stukken. Nu beide ouders correct zijn opgeroepen voor de zitting en de vader daar nog apart van op de hoogte is gesteld, heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek voortgezet buiten aanwezigheid van de ouders.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is op [geboortedag 1] 2024 geboren als kind van de vader en de moeder. De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 januari 2024 is [minderjarige] , die op dat moment nog niet geboren was, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 januari 2024 tot 31 januari 2024. Deze maatregel is nadien verlengd tot 17 april 2024.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 april 2024 is met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, dan wel in een overige locatie (zoals het ziekenhuis) verleend tot 17 april 2024.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 16 april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 17 april 2024 tot 17 april 2025. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (in een gezinshuis) verleend tot 17 april 2025. Beide maatregelen zijn nadien verlengd tot 17 oktober 2025.
2.6.
De Raad heeft op verzoek van de GI een onderzoek verricht naar de noodzaak tot het beëindigen van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] . Naar aanleiding van dat onderzoek, heeft de Raad geconcludeerd dat er onvoldoende noodzaak bestaat om het gezag van de ouders te beëindigen. De GI heeft daarop aan de Raad verzocht om de rechtbank te verzoeken om een oordeel te geven over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt, op grond van artikel 1:267 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), om het oordeel van de rechtbank over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] .

4.De standpunten

Het standpunt van de GI
4.1.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Beide ouders zijn verslaafd aan het gebruik van harddrugs in de vorm van Flakka. Volgens de GI hebben de ouders meerdere malen aangegeven dat zij graag willen afkicken. De ouders zijn zeker viermaal aangemeld voor een detoxtraject voor een gezamenlijke dan wel een zelfstandige opname. De betrokken hulpverlener vanuit [hulpverlening] heeft de ouders bovendien regelmatig thuis opgezocht om hen te bewegen om de noodzakelijke behandeling aan te gaan. Maar ondanks dat de ouders als hulpvraag hebben geuit dat zij graag willen stoppen met het gebruik van drugs, lukt het hen niet om in actie te komen en daadwerkelijk hun verslaving onder controle te krijgen. Gezien het toestandsbeeld van de ouders is het ook niet altijd mogelijk om een goed en inhoudelijk gesprek met hen te voeren.
4.2.
Bij aanvang van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] waren de ouders in contact met de GI en hadden zij driemaal per week contact met [minderjarige] . De contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] is op een gegeven moment echter verminderd tot tweemaal per week en uiteindelijk zelfs tot eenmaal per maand, omdat dit voor de ouders het hoogst haalbare was. De ouders wilden graag contact hebben met [minderjarige] , maar het lukte hen niet om de afspraken na te komen. Wanneer er sprake was van contact, waren de ouders blij om [minderjarige] te zien, maar er werd geen gehechtheidsontwikkeling tussen hen waargenomen. Vanwege hun verslaving was het voor de ouders ook niet mogelijk om in het contact echt de diepte in te gaan. Het initiatief voor het bewerkstelligen van de contacten kwam ook altijd vanuit de GI en niet vanuit de ouders. Enkele maanden geleden hebben de ouders voor het laatst contact gehad met [minderjarige] . Op een gegeven moment zijn zij ook voor de GI onbereikbaar geworden. In augustus 2025 zijn de ouders uit hun woning gezet. De GI heeft vervolgens geprobeerd om met de ouders in contact te komen door hen op te zoeken in het tentje waar zij zouden verblijven en door een aantal kermissen af te gaan waar zij mogelijk rondhingen. De GI heeft inmiddels begrepen dat de relatie tussen de ouders is beëindigd en dat de vader momenteel in een kamer in [plaats] verblijft (het precieze adres is niet bekend). De huidige verblijfplaats van de moeder is onbekend. De GI heeft de moeder acht weken geleden voor het laatst gezien. De moeder verkeerde toen medisch gezien in een dusdanig slechte staat dat de GI haar met enige drang naar een dokter heeft gebracht.
4.3.
De GI stelt dat de ouders het nemen van belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] niet hebben tegengewerkt, maar dat zij, vanwege hun persoonlijke problemen en situatie, onvoldoende bereikbaar en beschikbaar zijn waardoor het niet altijd mogelijk is om de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] tijdig en op een goede manier te nemen. De GI is daarbij van mening dat zij alles heeft gedaan wat er in haar macht ligt om de ouders in de gelegenheid te stellen om aan zichzelf te werken en hen bij het leven van [minderjarige] te betrekken. Gelet hierop handhaaft de GI haar standpunt dat een beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] thans noodzakelijk is. Omdat de GI het op dit moment nog te vroeg vindt om de voogdij over [minderjarige] bij de gezinshuisouders te beleggen, verzoekt de GI om haar te benoemen tot voogdes over [minderjarige] .
Het standpunt van de Raad
4.4.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Naar aanleiding van het raadsonderzoek heeft de Raad in eerste instantie geconcludeerd dat een beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] niet nodig is, omdat de ouders lijken te accepteren dat het perspectief van [minderjarige] bij de gezinshuisouders ligt, althans dat zij niet daartegen in verweer komen, dat het beëindigen van het gezag niet zal leiden tot meer duidelijkheid over het perspectief en dat de ouders de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] niet tegenhouden. De Raad was bovendien van mening dat de ouders nog een kans geboden moest worden om een detoxtraject aan te gaan en te werken aan hun persoonlijke problematiek.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad echter aangegeven dat hij van mening is dat inmiddels wordt voldaan aan de gronden voor beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] . Dit omdat de ouders al gedurende enkele maanden niet in contact zijn met de GI en zij geen contact meer hebben met [minderjarige] . Daarmee hebben de ouders hun ouderlijke verantwoordelijkheden richting [minderjarige] volledig naast zich neergelegd, terwijl het met het oog op de kindeigen problematiek van [minderjarige] juist van belang is dat er voortvarend (gezags)beslissingen over hem genomen kunnen worden. Nu de ouders uit hun woning zijn gezet en zij onbereikbaar zijn voor de GI, terwijl de GI alles heeft gedaan wat er in haar macht ligt om met de ouders in contact te komen, hen te bewegen om de noodzakelijk geachte hulpverlening aan te gaan en hen te betrekken bij het leven van [minderjarige] , heeft de Raad niet de verwachting dat hierin binnen een afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen. De Raad is dan ook van mening dat aan beide ouders reeds voldoende kansen zijn geboden om te werken aan hun problematiek en dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om het ouderlijk gezag van de ouders over hem in afwachting van een verbetering van de situatie van de ouders te handhaven.
4.6.
Gelet op het voorgaande is de Raad thans van mening dat wordt voldaan aan de gronden voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de beide ouders over [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. De Raad deelt verder het standpunt van de GI om de voogdij over [minderjarige] in eerste instantie bij haar te beleggen. Vervolgens kan worden bezien of de voogdij op een gegeven moment over kan worden gedragen aan de gezinshuisouders. Indien het gezag van de ouders over [minderjarige] wordt beëindigd, kunnen zij nog steeds door de GI worden betrokken bij [minderjarige] en over hem worden geïnformeerd.
Het standpunt van de gezinshuisouders
4.7.
De gezinshuisvader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De gezinshuisouders hebben in januari 2025 voor het laatst contact gehad met de ouders. De ouders zijn sindsdien niet meer te bereiken. De gezinshuisouders informeren de ouders maandelijks over [minderjarige] , maar omdat de ouders hier nooit op reageren, is het onbekend of die informatie hen ook daadwerkelijk bereikt en of de ouders dit lezen. Hoewel voor de gezinshuisouders voorop staat dat de ouders altijd de ouders van [minderjarige] blijven en zij daarom erg belangrijk voor hem zijn en blijven, stellen de gezinshuisouders zich momenteel op het standpunt dat een beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, zodat het duidelijk is waar [minderjarige] opgroeit en wie de belangrijke (gezags)beslissingen over hem neemt. Daarbij komt dat [minderjarige] , onder meer omdat hij is geboren uit een verslaafde moeder, kampt met medische problematiek. In de afgelopen periode heeft er medisch onderzoek plaatsgevonden vanwege de forse spierspanningen die [minderjarige] ervaart. Momenteel vindt er een groot genetisch onderzoek plaats en er bestaan vermoedens dat [minderjarige] tevens kampt met psychiatrische problematiek. De gezinshuisouders voorzien dan ook problemen nu de ouders niet bereikbaar zijn, zeker als er met enige spoed belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden. Het lijkt de gezinshuisouders het beste als de voogdij over [minderjarige] in ieder geval in eerste instantie bij de GI wordt belegd. De gezinshuisouders vinden het namelijk prettig, als de ouders op een gegeven moment weer in beeld raken, dat de GI nog betrokken is om de contacten met hen aan te gaan.
Het standpunt van de advocaat
4.8.
De advocaat heeft deze zaak niet met de ouders kunnen bespreken. Maar omdat hij hen al langer kent en bijstaat, acht hij zich wel in staat om namens hen het een en ander naar voren te brengen. De advocaat heeft aldus, samengevat, het volgende aangevoerd. Doordat de ouders in augustus 2025 uit hun woning zijn gezet, is er een onzekere situatie ontstaan. In de periode daaraan voorafgaand hebben de ouders zich echter altijd meewerkend opgesteld richting de GI en de betrokken hulpverlening. De ouders hebben het belang van [minderjarige] altijd vooropgesteld. Onder verwijzing naar artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), stelt de advocaat dat een gezagsbeëindiging een ingrijpende maatregel in het familie- en gezinsleven van [minderjarige] én de ouders betreft. Alleen als het handhaven van het ouderlijk gezag schade toebrengt aan [minderjarige] , kan het gezag worden beëindigd. Ook moeten de ouders voldoende in de gelegenheid worden gesteld om te werken aan hun persoonlijke problematiek. Gelet hierop verzoekt de advocaat om de beslissing in deze zaak aan te houden voor de duur van zes maanden, om hem de mogelijkheid te bieden om alsnog met de ouders in contact te treden en hun standpunt in deze zaak te bepalen. De advocaat verwacht dat dit mogelijk zal zijn zodra de persoonlijke situaties van de ouders meer tot rust zijn gekomen.

5.De beoordeling

Gezagsbeëindiging
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Op grond van artikel 1:267, eerste lid BW kan de beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat.
Uit het tweede lid van voormeld artikel volgt dat als de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag het noodzakelijk is. De raad voor de kinderbescherming die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.
5.3.
De rechtbank overweegt dat er sprake was van een visieverschil tussen de Raad en de GI over de noodzaak tot een beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] . Om die reden heeft de Raad, op aanvraag van de GI, op 16 juli 2025 aan de rechtbank verzocht om zich hierover uit te spreken. Gelet hierop kan en zal de rechtbank op grond van artikel 1:267, tweede lid BW zich een oordeel vormen over de noodzaak van een gezagsbeëindiging van de ouder(s) over [minderjarige] en, indien nodig, ambtshalve daartoe overgaan.
5.4.
Niet gebleken is dat de ouders het gezag misbruiken. De rechtbank dient daarom te beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke grondslag voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] zoals hiervoor vermeld in artikel 1:266, eerste lid, sub a BW.
5.5.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat beide ouders verslaafd zijn aan het gebruik van harddrugs in de vorm van Flakka. De moeder heeft ook tijdens de zwangerschap drugs gebruikt. In verband hiermee is [minderjarige] twee dagen na zijn geboorte uit huis geplaatst in het gezinshuis waar hij nu nog steeds verblijft. Als gevolg van het prenatale drugsgebruik van de moeder kampt [minderjarige] met medische problematiek, zoals forse spierspanningen. Daarnaast bestaan er vermoedens dat [minderjarige] kampt met psychiatrische problematiek. In verband hiermee vraagt [minderjarige] bovengemiddeld veel van zijn verzorgers en opvoeders en is er nader medisch onderzoek nodig. Gebleken is dat [minderjarige] bij de gezinshuisouders op een goede plek verblijft. De gezinshuisouders bieden [minderjarige] wat hij nodig heeft, zoals veiligheid en voldoende duidelijkheid en structuur. [minderjarige] is ook gewend aan zijn verblijf in het gezinshuis en hij lijkt gehechtheidsrelaties te ontwikkelen met zijn gezinshuisouders. De GI heeft inmiddels het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] , oftewel de plek waar hij verder zal opgroeien, bij de gezinshuisouders ligt. De ouders zijn hiervan op de hoogte en lijken hierin te berusten.
5.6.
De rechtbank dient daarom in deze zaak te beoordelen of de ouders, in de situatie dat [minderjarige] niet bij hen woont, in staat zijn om op een goede manier hun gezag over [minderjarige] uit te oefenen en of zij dus als “ouders op afstand” in staat zijn om de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De rechtbank betrekt hierbij, zoals door de advocaat is aangevoerd, dat een gezagsbeëindiging een verstrekkende en ingrijpende maatregel is, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van een ouder en zijn of haar kind. Op deze inmenging is artikel 8 EVRM Pro van toepassing. Uit richtinggevende jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat van een beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake kan zijn, als is gebleken dat voortzetting van de familieband, in dit geval in de vorm van een gezagsverhouding, schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient dan ook ten aanzien van de ouders afzonderlijk van elkaar te beoordelen of het laten voortduren van het ouderlijk gezag schadelijk is voor [minderjarige] .
5.7.
Het is de rechtbank gebleken dat de ouders steeds minder beschikbaar en bereikbaar zijn en daarmee ook minder betrokken in het leven van [minderjarige] . Nadat [minderjarige] kort na zijn geboorte uit huis is geplaatst, is er aanvankelijk ingezet op driemaal per week contact tussen de ouders en [minderjarige] . Deze regeling is op een gegeven moment echter verminderd tot, uiteindelijk, eenmaal per maand omdat dit het hoogst haalbare was voor de ouders. Alhoewel de Raad naar aanleiding van het onderzoek dat hij in deze zaak heeft verricht in de rapportage van 23 mei 2025 heeft geconcludeerd dat de ouders meewerken en dat zij geen belemmering vormen bij belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] , waardoor een beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] naar de mening van de Raad niet nodig was, is het de rechtbank gebleken dat de ouders inmiddels al gedurende enkele maanden volledig uit beeld zijn en dat er geen sprake is geweest van contact tussen de ouders en [minderjarige] . De ouders zijn telefonisch of per e-mail onbereikbaar en in augustus 2025 zijn zij uit hun woning gezet. De GI heeft vernomen dat de vader momenteel in een kamer in [plaats] verblijft maar zij weet niet precies waar en de huidige woon- of verblijfplaats van de moeder is onbekend. De ouders zijn dan ook in ieder geval op korte termijn niet te bereiken voor de GI en de gezinshuisouders. Tijdens het onderzoek heeft de Raad ook geen contact kunnen krijgen met ouders en na afronding van het onderzoek is de situatie alleen maar verslechterd zo is ter zitting gebleken. De ouders tonen daarnaast geen enkel initiatief ten aanzien van [minderjarige] . Zij vragen niet hoe het met [minderjarige] gaat en reageren niet op de maandelijkse e-mailberichten van de gezinshuisouders. De ouders nemen dan ook op geen enkele manier hun ouderlijke verantwoordelijkheid. Voor zover de ouders bereikbaar zouden zijn, valt tot slot ook te betwijfelen, nu zij geenszins betrokken zijn bij [minderjarige] en met het oog op hun huidige gemoedstoestand, in hoeverre zij in staat zijn om de juiste beslissingen over [minderjarige] te nemen. Tegelijkertijd vraagt [minderjarige] , onder meer vanwege zijn kindeigen problematiek bovengemiddeld veel van zijn verzorgers en opvoeders én zijn gezagsdragers. Als gevolg van zijn kindeigen problematiek zijn er namelijk verschillende medische onderzoeken gaande, of deze zullen naar verwachting in de komende periode starten. In de komende jaren zullen er daarom naar alle waarschijnlijkheid meerdere gezagsbeslissingen genomen moeten worden met betrekking tot het inzetten van medische onderzoeken en behandelingen op somatisch en psychiatrisch vlak, waarvoor de toestemming is vereist van de gezagsdragers van [minderjarige] , in dit geval de ouders. Gelet op het voorgaande wordt [minderjarige] , naar het oordeel van de rechtbank, ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.
5.8.
Vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige] kort na zijn geboorte, heeft de GI meermaals geprobeerd om de ouders gezamenlijk dan wel afzonderlijk van elkaar een detoxtraject te laten doorlopen bij Novadic Kentron. Dit in combinatie met een plaatsing op een stabiele woonplek bij [woonlocatie] in [provincie] , om de kans op terugval zo klein als mogelijk te maken. Het is de rechtbank echter gebleken dat het de ouders, ondanks hun goede intenties, niet lukt om in actie te komen en de behandeling daadwerkelijk aan te gaan. Daarnaast heeft de GI op allerlei creatieve manieren tevergeefs geprobeerd om met de ouders in contact te komen, hen te begeleiden richting de noodzakelijk geachte (detox)behandeling en hen bij [minderjarige] te betrekken. De rechtbank ziet niet in wat de GI hierin nog meer had kunnen doen. De Raad heeft ook niet met de ouders in contact kunnen komen in het kader van het raadsonderzoek dat in deze zaak is verricht. Op dit moment is ook niet gebleken van feiten en/of omstandigheden waardoor er zicht is op een verbetering van voormelde situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de verwachting ook niet gerechtvaardigd dat er in de hiervoor geschetste situatie binnen afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voortzetten van het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] .
5.10.
De advocaat heeft namens de ouders verzocht om de beslissing in deze zaak aan te houden voor de duur van zes maanden. Voor zover [minderjarige] de huidige schadelijke situatie nog langer zou kunnen verdragen, ziet de rechtbank echter geen aanleiding om de beslissing in deze zaak aan te houden. Dit omdat, zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, er geen enkele indicatie is dat voormelde situatie binnen een afzienbare termijn zal verbeteren en de GI al alles heeft gedaan wat er in haar macht ligt om met de ouders in contact te komen, hen te begeleiden richting de noodzakelijk geachte (detox)behandeling en hen te betrekken bij het leven van [minderjarige] , terwijl de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de ouders vanaf de geboorte van [minderjarige] alleen maar is verminderd.
5.11.
De rechtbank is, gezien al het voorgaande, van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging, zoals die volgen uit artikel 1:266, eerste lid, onder a BW. De rechtbank zal daarom, naar aanleiding van de vraag van de GI gevolgd door het verzoek van de Raad, ambtshalve het ouderlijk gezag van beide ouders over [minderjarige] beëindigen.
5.12.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd(es) over hem te benoemen.
5.13.
De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Gebleken is dat de GI heeft aangegeven dat zij bereid is om te worden belast met de voogdij over [minderjarige] . De rechtbank acht dit ook in het belang van [minderjarige] , omdat de GI als uitvoerder van de ondertoezichtstelling reeds betrokken is bij [minderjarige] en zijn systeem. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de voogdij in ieder geval in eerste instantie wordt belegd bij een neutrale, professionele jeugdhulpinstantie als de GI. Dit zodat de GI, wanneer de ouders opnieuw in beeld raken, de contacten met de ouders vooralsnog kan begeleiden. De gezinshuisouders zijn het hiermee eens. De rechtbank zal, in lijn met het advies van de Raad, daarom de GI benoemen tot voogdes over [minderjarige] . Indien gewenst kan de voogdij op een later moment alsnog worden overgedragen aan de gezinshuisouders.
5.14.
De rechtbank zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid ontstaat, ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat die beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.15.
De rechtbank overweegt ten overvloede nog als volgt. De rechtbank hoopt dat de ouders in de komende periode alsnog de noodzakelijk geachte (detox)behandeling zullen ondergaan en dat het hen vervolgens zal lukken om abstinent te blijven van middelen en dat het contact tussen hen en [minderjarige] , de GI en de gezinshuisouders zal worden hersteld. De ouders zijn en blijven namelijk altijd de ouders van [minderjarige] en daarom erg belangrijk in zijn leven.
5.16.
De rechtbank vraagt tot slot aan de griffier van de rechtbank om van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister.
5.17.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt ambtshalve het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedag 2] 1987 in [geboorteplaats 2] en van [de moeder] , geboren op [geboortedag 3] 1988 in [geboorteplaats 3] , [geboorteland] over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
benoemt tot voogdes over [minderjarige] , voornoemd, de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
vraagt aan de griffier van de rechtbank om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 door
mr. Pellikaan, voorzitter, mr. Jansen en mr. Jurkovic, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.