ECLI:NL:RBZWB:2025:7399

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
BRE 24/1233
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in Drimmelen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 oktober 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) beoordeeld. De heffingsambtenaar van de gemeente Drimmelen had de waarde van de woning per 1 januari 2022 vastgesteld op € 675.000. Belanghebbende, eigenaar van de woning, had bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank behandelt het beroep en de argumenten van belanghebbende, die stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat er schendingen zijn van de Wet WOZ en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende onderbouwing heeft gegeven voor de vastgestelde waarde en dat de gebruikte referentiewoningen vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd blijven, en dat belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde], verbonden aan [bedrijf]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Drimmelen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 december 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats 1] (de woning) per 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 675.000 (de WOZ beschikking). Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Drimmelen voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde van belanghebbende [naam 1] (verbonden aan [bedrijf]) en namens de heffingsambtenaar [taxateur 1] (taxateur) en [naam 2].
1.5.
De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat de uitspraakdatum is verlengd.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning (bouwjaar 1979) met een woonoppervlakte van 241 m². De woning heeft een inpandige garage en twee tuinhuisjes/blokhutten. De oppervlakte van het perceel is 586 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning en daarmee ook de aanslag OZB niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
3.1.
Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. Een beroep tegen de waardebeschikking is echter tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. [1] Het oordeel over de aanslag OZB volgt daarom het oordeel over de waarde van de woning.
3.2.
De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 675.000. Belanghebbende vindt deze waarde te hoog.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning en daarmee ook de aanslag OZB niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Schending artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ
3.4.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de waarde van de woning met een nieuw referentieobject heeft onderbouwd. Doordat de heffingsambtenaar geen onderliggende gegevens van dit object heeft verstrekt heeft belanghebbende niet de gelegenheid gehad het object in de bezwaarfase te controleren. Volgens belanghebbende is artikel 40 van de Wet WOZ geschonden. Volgens de heffingsambtenaar is dat niet het geval. De heffingsambtenaar heeft in dat kader in het verweerschrift gewezen op de werkafspraken die met Eerlijke WOZ  de gemachtigde van belanghebbende in de bezwaarfase  zijn gemaakt en ter zitting op de werkafspraken die met [bedrijf]  de gemachtigde van belanghebbende in de beroepsfase  zijn gemaakt.
3.5.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. [2]
3.6.
De rechtbank stelt vast dat Eerlijke WOZ namens belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank stelt tevens vast dat uit de werkafspraken die de heffingsambtenaar met Eerlijke WOZ heeft gemaakt blijkt dat (1) de heffingsambtenaar voor het aanleveren van de gegevens over de woning kan volstaan met het sturen van het taxatieverslag en de grondstaffel, en (2) dat hij in de uitspraak op bezwaar kan ingegaan op de overige gegevens zoals oppervlakte, inhoud, bouwjaar, ligging, de KOUDV-factoren en de gebruikte onderbouwingen. Dat heeft de heffingsambtenaar in dit geval ook zo gedaan. In de werkafspraken is niet vermeld dat de heffingsambtenaar ook het taxatieverslag en de grondstaffel van de referentieobjecten naar belanghebbende moet sturen, zoals belanghebbende betoogt. Van een schending door de heffingsambtenaar van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is daarom geen sprake.
Schending zorgvuldigheidsbeginsel
3.7.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsprocedure andere referentiewoningen gebruikt ter onderbouwing van de vastgestelde waarde. Volgens belanghebbende levert de wijziging in de onderbouwing van de waarde een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op. De rechtbank merkt in dat kader op dat het belastingrecht een vrije bewijsleer kent. Dit betekent dat partijen in beginsel in elke stand van het geding vrij zijn om hun bewijs te wijzigen en/of aan te vullen. De enkele omstandigheid dat de heffingsambtenaar in de beroepsfase tot een andere onderbouwing is gekomen  het referentieobject Haagwinden 9 is in bezwaar wel en in beroep niet gebruikt ter onderbouwing  maakt niet dat hij in dit specifieke geval onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat in beroep de KOUDV-factoren van een referentieobject  in dit geval het referentieobject [referentiewoning 1]  zijn aangepast. De heffingsambtenaar heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat sprake is van een dynamisch proces waarbij de gegevens continu worden geoptimaliseerd. Dat is toegestaan. Het betoog van belanghebbende impliceert een verplichting voor de heffingsambtenaar tot het bestendigen van de in bezwaar gekozen bewijsmiddelen. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
De waarde van de woning
3.8.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [3]
3.9.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.10.
Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
Onderbouwing van de vastgestelde waarde
3.11.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatierapport ten grondslag gelegd dat op 21 oktober 2024 door [taxateur 2] is opgemaakt.
3.12.
In het taxatierapport is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een getaxeerde waarde van € 706.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [referentiewoning 1] te [plaats 2], [referentiewoning 2] te [plaats 1] en [referentiewoning 3] te [plaats 2]. In het taxatierapport zijn voornoemde referentiewoningen vergeleken met de woning.
Beoordeling van de vastgestelde waarde
3.13.
De rechtbank vindt de gebruikte referentiewoningen wat betreft type woning, bouwjaar, perceeloppervlakte en woonoppervlakte vergelijkbaar. De referentiewoningen zijn bovendien voldoende dichtbij de waardepeildatum, namelijk binnen één jaar daarvoor, verkocht. De rechtbank concludeert dat de referentiewoningen kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning.
3.14.
De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de referentiewoningen verschillen vertonen met de woning van belanghebbende. Er is echter voldoende rekening gehouden met deze verschillen door (onder meer) aan losse onderdelen, zoals een garage, berging en overkapping, afzonderlijke waarden toe te kennen. Verder zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum en is een correctie toegepast vanwege de verschillen in KOUDV-factoren en de verschillen in woon- en perceeloppervlakte, bouwjaar en ligging.
3.15.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat bij de waardering onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerde badkamer en het lage duurzaamheidsniveau. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat bij het bepalen van de waarde voldoende rekening is gehouden met het duurzaamheidsniveau en dat hij in de door belanghebbende aangeleverde foto’s van de woning geen aanleiding heeft gezien om aan het voorzieningenniveau een lagere score toe te kennen. De heffingsambtenaar heeft daarbij toegelicht dat de voorzieningen als geheel worden beoordeeld. Belanghebbende heeft daar niets tegenover gesteld op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat een correctie moet worden toegepast vanwege de gesteld gedateerde staat van de badkamer en het lage duurzaamheidsniveau.
3.16.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning van belanghebbende voor het belastingjaar 2023 niet te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 29 oktober 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ.
2.Zie Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.
3.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.