ECLI:NL:RBZWB:2025:7402
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1881 met diverse bijgebouwen en een perceel van 373 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €450.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de waarde en de aanslag, maar dit werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
In het beroep betoogde belanghebbende onder meer dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig had gehandeld door in de beroepsfase andere referentiewoningen te gebruiken dan in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het belastingrecht een vrije bewijsleer kent en dat het dynamisch aanpassen van bewijs niet onzorgvuldig is. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van 23 oktober 2024, waarin vergelijkingsmethodiek werd toegepast met referentiewoningen die qua type, bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar zijn en recent verkocht.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde voorzieningen en het lagere duurzaamheidsniveau van de woning, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook de gebruikte grondstaffels werden door belanghebbende betwist, maar zonder voldoende onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en handhaafde de beschikking en de aanslag OZB. Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.