ECLI:NL:RBZWB:2025:7402

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
BRE 24/1278
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in Drimmelen

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen een belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Drimmelen. De zaak betreft een beroep tegen de WOZ-beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak, een vrijstaande woning, op 1 januari 2022 is vastgesteld op € 450.000. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling en de daaropvolgende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2023. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de belanghebbende en de taxateur van de heffingsambtenaar aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld en dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet onzorgvuldig heeft gehandeld door in de beroepsprocedure andere referentiewoningen te gebruiken. De rechtbank concludeert dat de WOZ-beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd blijven, en het beroep van de belanghebbende ongegrond is verklaard. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1278

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Drimmelen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 december 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats 1] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 450.000 (de WOZ beschikking). Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Drimmelen voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde van belanghebbende [naam 1] (verbonden aan [bedrijf] ) en namens de heffingsambtenaar [taxateur 1] (taxateur) en [naam 2] .
1.5.
De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat de uitspraakdatum is verlengd.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning (bouwjaar 1881) met een woonoppervlakte van 104 m² (inclusief de aangebouwde woonruimte van 34 m²). De woning heeft drie dakkapellen, een vrijstaande garage, drie vrijstaande bergingen/schuren, een inpandige berging/schuur en een overkapping/luifel. De oppervlakte van het perceel is 373 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning en daarmee ook de aanslag OZB niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
3.1.
Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. Een beroep tegen de waardebeschikking is echter tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. [1] Het oordeel over de aanslag OZB volgt daarom het oordeel over de waarde van de woning.
3.2.
De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 450.000. Belanghebbende vindt deze waarde te hoog.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning en daarmee ook de aanslag OZB niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Schending zorgvuldigheidsbeginsel
4. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsprocedure andere referentiewoningen gebruikt ter onderbouwing van de vastgestelde waarde. Volgens belanghebbende levert de wijziging in de onderbouwing van de waarde een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op. De rechtbank merkt in dat kader op dat het belastingrecht een vrije bewijsleer kent. Dit betekent dat partijen in beginsel in elke stand van het geding vrij zijn om hun bewijs te wijzigen en/of aan te vullen. De enkele omstandigheid dat de heffingsambtenaar in de beroepsfase tot een andere onderbouwing is gekomen  de referentieobjecten [referentiewoning 1] te [plaats 1] en [referentiewoning 2] te [plaats 2] zijn in bezwaar wel en in beroep niet gebruikt ter onderbouwing  maakt niet dat hij in dit specifieke geval onzorgvuldig heeft gehandeld. De heffingsambtenaar heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat sprake is van een dynamisch proces waarbij de gegevens continu worden geoptimaliseerd. Dat is toegestaan. Het betoog van belanghebbende impliceert een verplichting voor de heffingsambtenaar tot het bestendigen van de in bezwaar gekozen bewijsmiddelen. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
De waarde van de woning
4.1.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [2]
4.2.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
4.3.
Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
Onderbouwing van de vastgestelde waarde
4.4.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatierapport ten grondslag gelegd dat op 23 oktober 2024 door taxateur [taxateur 2] is opgemaakt.
4.5.
In het taxatierapport is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een getaxeerde waarde van € 484.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan [referentiewoning 3] en [referentiewoning 4] te [plaats 1] en aan [referentiewoning 5] te [plaats 2]. In het taxatierapport zijn voornoemde referentiewoningen vergeleken met de woning.
Beoordeling van de vastgestelde waarde
4.6.
De rechtbank vindt de gebruikte referentiewoningen wat betreft type woning, bouwjaar en woon- en perceeloppervlakte vergelijkbaar. De referentiewoningen zijn bovendien voldoende dichtbij de waardepeildatum, namelijk binnen één jaar daarvoor, verkocht. De rechtbank concludeert dat de referentiewoningen kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning.
4.7.
De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de referentiewoningen verschillen vertonen met de woning van belanghebbende. Er is echter voldoende rekening gehouden met deze verschillen door (onder meer) aan losse onderdelen, zoals een garage, berging en overkapping, afzonderlijke waarden toe te kennen. Verder zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum en is een correctie toegepast vanwege de verschillen in KOUDV-factoren en de verschillen in woon- en perceeloppervlakte, bouwjaar en ligging.
4.8.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat bij de waardering van zijn woning onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerde voorzieningen  de badkamer en de keuken zijn meer dan 30 jaar oud , en met het lagere duurzaamheidsniveau. Volgens belanghebbende is de woning matig tot slecht geïsoleerd en heeft de woning geen spouwmuren. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat belanghebbende, ondanks dat hij daartoe is verzocht, geen foto’s van de woning heeft aangeleverd en dat de taxateur zich daarom heeft gebaseerd op de hem bekende gegevens van de woning. Daarnaast zijn de energielabels van de referentiewoningen volgens de heffingsambtenaar dermate laag dat aannemelijk is dat deze woningen ook niet over spouwmuren beschikken. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende niets gesteld op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat een correctie moet worden toegepast vanwege de gesteld gedateerde staat van de voorzieningen in zijn woning of vanwege het ontbreken van spouwmuren.
4.9.
Belanghebbende heeft daarnaast de in het taxatierapport gebruikte grondstaffels betwist. Belanghebbende is namelijk van mening dat [plaats 1] te klein is om verschillende grondstaffels te hanteren en twijfelt aan het nut van het gebruik daarvan. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat in overgangsgebieden, bijvoorbeeld van stedelijk naar agrarisch gebied, verschillende grondstaffels van toepassing zijn. De woning en de referentieobjecten zijn gelegen in verschillende waardegebieden in [plaats 1] , zodat op de objecten verschillende grondstaffels van toepassing zijn. Deze grondstaffels zijn opgenomen in het door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapport. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarmee de gehanteerde grondprijzen per waardegebied van de woning en van de referentieobjecten voldoende aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft met zijn betoog kritiek geuit op de door de heffingsambtenaar gebruikte grondstaffels, maar heeft nagelaten om gegevens te overleggen die maken dat aan die grondstaffels (en de daarop gebaseerde berekening in de matrix) moet worden getwijfeld.
4.10.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning van belanghebbende voor het belastingjaar 2023 niet te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 29 oktober 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ.
2.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.