ECLI:NL:RBZWB:2025:7404

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 september 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/437012 / JE RK 25-1163
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 2 BWArt. 1:261 BWArt. 1:253a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens ernstige bedreiging ontwikkeling minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 september 2025 een zaak over de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) verzocht tot opheffing van de maatregel, terwijl de vader verlenging vroeg. De moeder deed zelfstandige verzoeken, waaronder vervangende toestemming voor schoolinschrijving en reizen naar het buitenland, en een verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader.

De rechtbank constateerde dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, mede doordat zij sinds 2023 geen contact meer hebben met hun vader en een loyaliteitsconflict vertonen. Er is geen adequate hulpverlening ingezet en communicatie tussen ouders ontbreekt. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming zagen geen mogelijkheden meer voor contactherstel, maar de rechtbank vond dat nog niet alle stappen waren benut.

De rechtbank wees het verzoek van de GI tot opheffing af en kende het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling toe voor een jaar. De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar zelfstandige verzoeken, omdat deze niet via een advocaat waren ingediend en niet samenhangen met de ondertoezichtstelling. De beslissing is direct uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 1 november 2026 en het verzoek tot opheffing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/437012 / JE RK 25-1163
Datum uitspraak: 16 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [plaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [plaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk aangeduid met de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N.J.R.M. Elings uit Molenschot.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, ontvangen op 25 juni 2025;
  • de brief van de GI, ontvangen op 21 augustus 2025;
  • het verweerschrift van mr. Elings met bijlagen, met een zelfstandig verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen, ontvangen op
28 augustus 2025;
- de brief van de moeder, met zelfstandige verzoeken, ontvangen op
28 augustus 2025;
- de brief van mr. Elings, met bijlage, ontvangen op 1 september 2025.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
De kinderen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening over het verzoek te geven. Alleen [minderjarige 1] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 1 november 2024 tot 1 november 2025.

3.De verzoeken

Het verzoek van de GI
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van de kinderen op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek van de vader
3.2.
De vader verzoekt om het verzoek van de GI af te wijzen, en de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar.
De verzoeken van de moeder
3.3.
De moeder verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school en het reizen naar het buitenland met de kinderen. Indien de kinderrechter geen vervangende toestemming verleent, verzoekt de moeder om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen.

4.De standpunten

De GI
4.1.
Ter onderbouwing van haar verzoek voert de GI, samengevat, aan dat sinds de vorige zitting van 10 oktober 2024 gesprekken zijn gestart met zowel de vader als de moeder, met als doel begeleiding bieden zodat de ouders minimaal contact met elkaar zouden hebben over de kinderen, en om te onderzoeken wat er mogelijk was voor de kinderen in het contact met de vader. Een gesprek via Sterk Huis kon niet plaatsvinden, aangezien de moeder daar een werkverband mee heeft. Daarnaast stond de moeder niet achter een traject via [zorgcoach] , omdat zij bezorgd was over de impact hiervan op de kinderen. Er is geen andere hulpverlening ingezet. Het afgelopen jaar is er geen verandering gekomen in de houding van de kinderen; zij geven nog steeds duidelijk aan geen contact met hun vader te willen. Het uitgangspunt van de GI blijft dat een kind recht heeft op contact met beide ouders. Tegelijkertijd is de GI van mening dat de kinderen nu op een leeftijd zijn waarop zij niet gedwongen moeten worden tot contact met hun vader. De zorg van de GI is dat het nu forceren van contact het laatste stukje hoop voor toekomstig contact met de vader kan weghalen en de vader verder in een negatieve positie kan brengen. De GI heeft het afgelopen jaar geprobeerd de opdracht uit te voeren, maar ziet op dit moment geen mogelijkheden meer. De betrokken jeugdzorgwerker geeft aan niet meer te weten welke stappen nog gezet moeten worden. Nu er in de ogen van de GI geen stappen meer mogelijk zijn, is de GI van mening dat de ondertoezichtstelling kan, ondanks dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging van de kinderen, worden opgeheven.
De vader
4.2.
Door en namens de vader is aangevoerd dat hij het niet eens is met het verzoek van de GI. Volgens hem, zoals ook door de GI in het verzoek benoemd, is er nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn nog steeds onverminderd aanwezig. De kinderen tonen veel weerstand tegen contact met de vader. Zij zijn loyaal naar de moeder en kiezen voor haar. Daarnaast blijft de situatie tussen de ouders onderling problematisch, aangezien de moeder niet bereid is te communiceren met de vader. Volgens de vader is er nog onvoldoende gewerkt aan het behalen van de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling. De kinderen hebben sturing en begeleiding nodig, maar mogelijkheden daartoe, zoals het inzetten van passende hulpverlening, zijn tot op heden onbenut gelaten. Als minimaal doel zou volgens de vader moeten worden gestreefd dat er één of meerdere gesprekken plaatsvinden tussen hem en de kinderen, onder begeleiding. De vader verzoekt de kinderrechter om duidelijk instructies of aanwijzingen te geven over bijvoorbeeld welke hulpverleningsinstantie en soort hulp alsook naar welke opbouwende (begeleide) contactregeling dient te worden toegewerkt. Daarnaast stelt de vader dat, indien gezamenlijke oudergesprekken niet haalbaar blijken, moet worden ingezet op solo parallel ouderschap. Tijdens de zitting verzoekt de vader om een wijziging van GI. Hij voert daarbij aan dat de betrokken jeugdzorgwerker niet meer achter de verlenging van de ondertoezichtstelling staat. De vader wenst dat er door de kinderrechter een andere GI wordt benoemd die actief aan de slag gaat met de informatie en de opdracht die zij krijgt. De ondertoezichtstelling wordt op dit moment niet actief uitgevoerd, en de zorg bestaat dat, zolang de huidige jeugdzorgwerker er niet achter staat, er geen vooruitgang zal worden geboekt. De vader benadrukt dat er nog altijd mogelijkheden zijn om stappen te zetten en verzoekt de kinderrechter daarom om de ondertoezichtstelling niet op te heffen maar te verlengen met een jaar.
De moeder
4.3.
Door de moeder is, samengevat, aangegeven dat zij instemt met het verzoek van de GI tot opheffing van de ondertoezichtstelling. Zij wil een afwijzing van het verzoek van de vader om die maatregel met een jaar te verlengen. Sinds 2020 is er geen contact tussen haar en de vader. Wel was er sprake van omgang tussen de vader en de kinderen, totdat in 2023 de situatie escaleerde en de kinderen niet langer contact met de vader wilden hebben. Volgens de moeder is er geen sprake van ouderverstoting of loyaliteit naar haar toe; zij heeft de kinderen nooit in de omgang belemmerd. Beide kinderen geven al langere tijd duidelijk aan geen contact meer met hun vader te willen. De moeder geeft aan dat de kinderen zich positief ontwikkelen, maar dat zowel zij als de kinderen klaar zijn met de langdurige betrokkenheid van instanties. Zij willen geen verdere hulpverlening, noch in een gedwongen, noch in een vrijwillig kader.
4.4.
[minderjarige 1] heeft in zijn zogenoemd kindgesprek aan de kinderrechter verteld dat hij nu en in de toekomst geen contact met zijn vader wil. Hij wil met [minderjarige 2] bij zijn moeder blijven wonen.
4.5.
De zelfstandige verzoeken van de moeder hebben betrekking op vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige 1] op de middelbare school, en vervangende toestemming voor reizen naar het buitenland, aangezien de vader hiervoor stelselmatig geen toestemming verleent. Mocht vervangende toestemming niet worden verleend, verzoekt de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Volgens de moeder misbruikt de vader zijn gezag door herhaaldelijk geen toestemming te verlenen voor vakanties, hetgeen stress veroorzaakt en de ontwikkeling van de kinderen belemmert. Indien de kinderrechter van mening is dat de aanvullende verzoeken niet binnen deze procedure kunnen worden behandeld, verzoekt de moeder om afsplitsing van deze verzoeken naar een aparte procedure.
De Raad
4.6
De Raad heeft, samengevat, geadviseerd om de ondertoezichtstelling niet op te heffen. Hij constateert dat de GI tot op heden beperkt uitvoering heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling. De ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is, zoals de GI het zelf aangeeft, nog niet weggenomen. De Raad begrijpt dat het een complexe situatie is, waarin het maken van een goede afweging niet eenvoudig is. Desondanks is de Raad van mening dat de GI nog mogelijkheden heeft. Zo kan er nog laagdrempelige hulpverlening worden ingezet om te onderzoeken wat nodig is om de angst van de kinderen voor contact met hun vader te verminderen. Wanneer de ondertoezichtstelling nu zou worden opgeheven, is er helemaal geen hulpverlening meer betrokken. In een vrijwillig kader heeft de Raad onvoldoende vertrouwen dat gewerkt zal worden aan herstel van het contact tussen de vader en de kinderen, aangezien de moeder heeft aangegeven daaraan niet langer mee te willen werken. Naar het oordeel van de Raad zijn er daarom nog noodzakelijke stappen te zetten voordat de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten. Het is van belang dat er een plan voor de toekomst wordt opgesteld, waarin onder meer aandacht is voor het contact tussen de ouders. Minimaal overleg tussen hen over de kinderen is noodzakelijk; zonder duidelijke afspraken zal er geen communicatie op gang komen. Daarnaast dient laagdrempelige hulpverlening te worden ingezet voor de kinderen. Gelet op het voorgaande staat de Raad achter het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Mede gezien dit standpunt ziet de Raad geen aanleiding om zelf een verzoek tot verlenging van de maatregel in te dienen. Een wijziging van de GI is op dit moment niet wenselijk, aldus de Raad.

5.De beoordeling

Het verzoek van de GI tot opheffing van de ondertoezichtstelling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro, niet langer is vervuld.
5.2.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de vader heeft aangevoerd dat door de GI door de wijze van indiening van haar verzoek artikel 1:265j lid 1 BW is geschonden. Dit verweer wordt verworpen. Voormelde bepaling is slechts van toepassing wanneer de GI voornemens is om geen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. In dit geval heeft de GI verzocht om de ondertoezichtstelling op te heffen. Van een omstandigheid waarop die bepaling betrekking heeft is, gezien de aard van het verzoek, dan ook geen sprake.
5.4.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen. Hij legt hieronder uit waarom.
5.5.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen.
5.6.
Sinds april 2023 hebben zij geen contact meer met hun vader. De situatie heeft zich inmiddels dusdanig ontwikkeld dat [minderjarige 1] zijn vader volledig afwijst en helemaal geen contact meer met hem wil hebben. [minderjarige 2] geeft ook aan geen contact met haar vader te willen. Zij wil haar vader pas zien wanneer zij achttien jaar is en hij geen zeggenschap meer over haar heeft. Duidelijk is dat er bij de kinderen sprake is van een loyaliteitsconflict waarbij zij onvoorwaardelijk voor de moeder kiezen.
5.7.
De kinderrechter constateert dat er de afgelopen twee jaar geen hulpverlening is ingezet of een serieuze poging is gedaan om met een hulpverlener laagdrempelig met de kinderen aan de slag te gaan en zo, al dan niet op termijn, contactherstel met de vader te bevorderen. De GI heeft [zorgcoach] aangedragen, maar die is afgewezen door de moeder. Een traject bij Sterk Huis kon niet starten vanwege het werkverband van de moeder aldaar. Mogelijkheden voor het inzetten van andere hulpverlening zijn tot op heden niet of niet adequaat onderzocht.
5.8.
Daarnaast ontbreekt het aan communicatie tussen de ouders over de kinderen. Het lukt hen niet om een situatie te creëren waarin onderling overleg over de kinderen mogelijk is. De kinderrechter begrijpt dat er een belaste geschiedenis is tussen de ouders, maar vindt het wel zorgelijk dat de moeder heeft aangegeven de vader niet meer als vader van de kinderen te zien. Hiermee wekt zij de indruk de vader geheel uit haar en uit het leven van de kinderen te willen weren, terwijl hij wel hun vader blijft. De vader en de moeder zullen altijd samen de ouders van de kinderen blijven. Dat betekent dat er, in het belang van de kinderen, ten minste enig contact tussen hen noodzakelijk is.
5.9.
Overdracht naar het vrijwillig kader van de hulpverlening zal niet baten. Van een adequate hulpverlening die voor overdracht in aanmerking komt, is geen sprake.
Het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling
Ontvankelijkheid
5.10.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien de gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de Raad, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek.
5.11.
Nu de GI een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling heeft ingediend en daarmee heeft besloten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen, is de vader hiertoe bevoegd op grond van voornoemd artikel. Daarnaast heeft de Raad aangegeven geen eigen verzoek tot verlenging van de maatregel in te dienen. De kinderrechter acht de vader daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
5.12.
Nu de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog steeds aanwezig is, zoals ook is erkend door de GI en de Raad, ziet de kinderrechter voldoende aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen.
5.13.
Niet alle mogelijkheden om tot contactherstel te komen zijn tot op heden benut. Uitgangspunt van de jurisprudentie is dat alles in het werk moet worden gesteld om omgang tussen de niet verzorgende ouder en het kind tot stand te brengen. Aan de kinderrechter is door de GI en de vader verzocht om duidelijke instructies te geven voor het opbouwen van contact tussen de kinderen en hun vader. Omdat de kinderen al geruime tijd geen contact met de vader hebben gehad, lijkt het de kinderrechter raadzaam dat de GI zich gaat inzetten om tot een contactherstel te komen. Er moet worden gestart met laagdrempelige hulpverlening voor de kinderen, waarbij wordt onderzocht waar hun angst tegen contact met hun vader vandaan komt en of deze op een veilige manier kan worden verminderd. Op basis van deze begeleiding kan vervolgens worden gewerkt aan een begin van een contact, waarbij wordt gedacht aan een begin van een begeleid contact van een uur per twee weken. Afhankelijk van het verloop hiervan dient er een uitbreiding van het contact te komen, waarbij onder meer bepalend zal zijn het tempo van de kinderen. In dit kader wordt van de moeder verwacht dat zij haar emotionele toestemming aan de kinderen geeft, of blijft, geven, voor het opnieuw aangaan van contact met hun vader.
5.14.
Als het hiervoor overwogene niet haalbaar blijkt te zijn, geeft de kinderrechter de GI en de ouders mee om een gesprek te organiseren tussen de vader en de kinderen. Dit gesprek dient te worden begeleid door een intermediair. Tijdens dit gesprek krijgen de kinderen de gelegenheid om aan de vader uit te leggen waarom zij geen contact met hem willen, terwijl de vader van zijn kant kan vertellen waarom hij graag contact met hen wil. Op zo’n gesprek dienen de kinderen te worden voorbereid middels voorgesprekken met de intermediair.
5.15.
Tegelijkertijd moet er door de GI aandacht worden besteed aan de verbetering van de communicatie tussen de ouders, zodat er weer contact tussen hen over de kinderen mogelijk is. Beide ouders zijn en blijven de ouders van de kinderen. Zij moeten ervoor openstaan om met elkaar een manier te vinden waarin zij met elkaar overleg over hun kinderen hebben. Hierbij kan worden gedacht aan solo parallel ouderschap.
5.16.
De kinderrechter zal, gezien het voorgaande, waaronder het advies van de Raad, het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van de kinderen toewijzen en deze maatregel verlengen met ingang van 1 november 2025 tot 1 november 2026. Gedurende deze periode kunnen alle stappen zorgvuldig worden opgezet en uitgevoerd.
5.17.
Het mondelinge verzoek van de vader om een andere gecertificeerde instelling te benoemen zal worden afgewezen, reeds omdat niet bekend is dat zo’n instelling beschikbaar is om de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te nemen. Bovendien heeft de vader zelf geen contact gezocht met een andere gecertificeerde instelling.
5.18.
De betrokken jeugdzorgwerker heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij van mening is dat zij zelf niet verder kan. Zij gaf aan niet meer te weten welke stappen nog gezet kunnen worden. Indien zij deze beleving blijft houden, acht de kinderrechter het raadzaam dat de GI moet bezien of er een andere jeugdzorgwerker wordt aangewezen om de verdere uitvoering van de maatregel ter hand te nemen.
De zelfstandige verzoeken van de moeder
Ontvankelijkheid
5.19.
De kinderrechter kan de verzoeken van de moeder over het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school en het reizen naar het buitenland met de kinderen niet inhoudelijk beoordelen. Deze verzoeken zijn namelijk in feite geschillen over de uitoefening van het gezamenlijke gezag, als bedoeld in artikel 1:253a lid 1 BW, en hangen niet samen met de ondertoezichtstelling. Zulke verzoeken kan de moeder, met de vader als wederpartij, alleen door tussenkomst van een advocaat indienen.
De moeder heeft daarnaast een, voorwaardelijk, verzoek ingediend tot beëindiging van het gezag van de vader over de kinderen. Aldus wil de moeder bewerkstelligen dat zij zal worden belast met het eenhoofdig gezag over hen. Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
Ook een verzoek tot beëindiging van het gezag van een ouder, dat geen samenhang heeft met de ondertoezichtstelling waarbij de wederpartij de GI is, kan niet zelfstandig, dus zonder tussenkomst van een advocaat, worden ingediend. De moeder heeft, subsidiair, verzocht om de zaak eventueel te splitsen, met een ander zaaknummer, als nieuwe procedure en, naar de kinderrechter begrijpt, met de vader als wederpartij. De moeder wordt hierin niet gevolgd, reeds omdat haar verzoek niet door tussenkomst van een advocaat is ingediend.
In de voormelde verzoeken zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.20.
De kinderrechter wil de vader, wellicht ten overvloede, meegeven dat het belangrijk is dat hij meewerkt aan de verzoeken van de moeder om met de kinderen naar het buitenland op vakantie te gaan. Ter zitting is gebleken dat de moeder door het gestelde tegenwerkende gedrag van de vader niet in staat is om met de kinderen zelfs een dagtrip naar [plaats 2] te maken. Het is begrijpelijk en bovendien belangrijk voor de ontwikkeling van de kinderen dat de moeder met hen naar het buitenland op vakantie wil gaan. Als vader met gezag wordt van hem verwacht dat hij hiervoor toestemming geeft en daar niet onnodig moeilijk over doet. Het is denkbaar dat de vader schriftelijk toestemming voor de duur van een jaar verleent, waarmee de moeder bijvoorbeeld op ieder gewenst moment met de kinderen naar België kan reizen. Het tegenhouden van vakanties wordt niet geacht in het belang van de kinderen te zijn.
5.21.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vader. Dat wil zeggen dat deze beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.22.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst, uitvoerbaar bij voorraad, toe het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met ingang van 1 november 2025 tot 1 november 2026;
6.2.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de GI tot opheffing van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
Deze beslissing is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2025, in aanwezigheid van mr. Van Krieken, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.