ECLI:NL:RBZWB:2025:7416

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/437337 / JE RK 25-1215
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en gezagsconflict

De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds 8 augustus 2023 onder toezicht staat. De kinderrechter heeft op 21 oktober 2025 een zitting gehouden waarbij de moeder en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren, maar de vader niet.

De ondertoezichtstelling is eerder verlengd tot 8 november 2025. De GI vraagt nu om verlenging tot 8 augustus 2026 vanwege terugval van de vader in oude patronen, zijn verwarde gedrag en het ontbreken van samenwerking tussen ouders. De vader houdt geen contact en lijkt niet oprecht betrokken bij het welzijn van de minderjarige.

De minderjarige woont bij de moeder en vertoont externaliserend gedrag en loyaliteitsconflicten, mede door traumatische ervaringen zoals huiselijk geweld en stalking door de vader. De opvoedomgeving wordt als onveilig beoordeeld. De kinderrechter constateert dat de ouders niet in staat zijn hun communicatie te verbeteren en dat de hulpverlening noodzakelijk blijft.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot 8 augustus 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt de GI opgedragen de gezagssituatie te onderzoeken en de Raad te betrekken bij een mogelijk verzoek tot aanpassing van het gezag, met het oog op het belang van de minderjarige.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 8 augustus 2026 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/437337 / JE RK 25-1215
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling te Goes.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juli 2025 met alle daarin opgenomen en genoemde stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 7 oktober 2025, ontvangen op 7 oktober 2025;
  • het bericht met bijlage van de GI, ontvangen op 13 oktober 2025;
  • het bericht van de GI, ontvangen op 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel correct is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft op 29 juli 2025 een kindgesprek met [minderjarige] gehad. Vanwege de korte verlenging van de ondertoezichtstelling bij beschikking van 30 juli 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] niet opnieuw uitgenodigd voor een kindgesprek.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 8 augustus 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht
gesteld, zulks met ingang van 8 augustus 2023 en tot 8 augustus 2024. De ondertoezichtstelling is daarna bij beschikking van 30 juli 2025 verlengd, met ingang van 8 augustus 2025 en tot 8 november 2025 en het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden tot de zitting van 21 oktober 2025.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2023 is de vader gezamenlijk
met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. In de genoemde beschikking is
ook bepaald dat de vader en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van (begeleid) contact dat moet worden
opgebouwd zoals overwogen in rechtsoverweging 2.10.8 van die beschikking, waarbij de
concrete invulling van die verdeling en de verdeling van de vakantie- en feestdagen aan
partijen en de GI wordt overgelaten.
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Thans ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden, te weten tot 8 augustus 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek, maar kan zich ook vinden in een verlenging voor zes maanden onder aanhouding van het restant. In aanvulling op de stukken benoemt de GI dat de vader na de vorige zitting is teruggevallen in oude patronen en verward overkomt. Mogelijk is er sprake van onderliggende problematiek. De vader lijkt gesprekken en gebeurtenissen anders te interpreteren. Daar komt bij dat de hulpverlening zich afvraagt of het de vader echt om [minderjarige] gaat. Hij komt de afspraken met [stichting] niet na en gaat met de hulpverlening niet de diepte in. Tegen de GI heeft de vader gezegd dat hij zich lamgeslagen voelt. De ondertoezichtstelling blijft nodig blijft, nu de ouders samen het gezag hebben maar er geen contact en samenwerking is en er ook veiligheidsafspraken gelden. Tot slot is het aan de Raad om de gezagssituatie te gaan onderzoeken.
4.2.
Door en namens de moeder is verzocht om de ondertoezichtstelling met zes maanden te verlengen en het restant af te wijzen. De vader laat niets van zich weten en zolang de vader niet meewerkt, zal ook MASIC niet worden afgenomen. Verder is het belangrijk dat de GI naar de gezagssituatie gaat kijken en gaat onderzoeken in hoeverre in het belang van [minderjarige] is dat beide ouders het gezag hebben. Zo heeft de vader bijvoorbeeld niet gereageerd op de e-mail van de moeder of de vader akkoord is met de dubbele achternaam van [minderjarige]. Ook [minderjarige] vindt het lastig dat de vader met het gezag is belast, nu de vader informatie op school kan opvragen en naar voetbal kan komen. Daar komt bij dat de moeder vanwege de veiligheid niet alles met de vader kan delen. Zo deelt de moeder bijvoorbeeld niet waar [minderjarige] (en de moeder) zijn. Desondanks wil de moeder de vader de kans geven om te bewijzen dat de ouders gezamenlijk het gezag kunnen uitvoeren. De moeder hoopt dat er de komende periode meer duidelijkheid gaat komen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De kinderrechter zal het verzoek voor de resterende duur van negen maanden toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen met ingang van 8 november 2025 en tot 8 augustus 2026. Hij legt dit hierna uit.
5.3.
De kinderrechter benoemt allereerst dat hij het teleurstellend vindt dat de vader (en zijn eventuele advocaat) niet aanwezig zijn tijdens de zitting. Dit geldt met name nu de maatregel op 30 juli 2025 voor een kortere duur is verlengd om de vader in de gelegenheid te stellen zijn advocaat te raadplegen en er verder bij te betrekken. Op die manier zouden verdere stappen binnen de ondertoezichtstelling kunnen worden besproken.
Verder stelt de kinderrechter vast dat [minderjarige] nog steeds onverminderd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hij maakt zich grote zorgen over [minderjarige], zijn ontwikkeling en zijn (emotionele) veiligheid. [minderjarige] heeft in het verleden traumatische situaties meegemaakt. Zo is hij getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en het stalken door de vader als gevolg waarvan [minderjarige] mogelijk onveiligheid heeft ervaren. Gebleken is dat [minderjarige] steeds meer externaliserend gedrag op school laat zien en dat er signalen zijn dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Hij heeft geen onbelast contact met zijn beide ouders. Als [minderjarige] over de vader spreekt, is er volgens de hulpverlening vooral boosheid met onderliggend verdriet bij [minderjarige] te zien. Daarnaast wordt hij met volwassenproblematiek belast. Dit alles maakt dat de opvoedomgeving van [minderjarige] onveilig is en dat hij daardoor onder druk staat. Tijdens het gesprek met [minderjarige] op 29 juli 2025 heeft de kinderrechter dit ook in het gedrag van [minderjarige] waargenomen. Verder stelt de kinderrechter vast dat het de ouders de afgelopen jaren niet is gelukt om het patroon tussen hen te doorbreken. Bij beide ouders lijkt sprake te zijn van onverwerkte gebeurtenissen en het lukt de ouders niet om in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren. De moeder heeft aangegeven met de vader in gesprek te willen, maar de vader staat hier niet voor open en uit de stukken blijkt dat de vader zelfs het contact met [minderjarige] hiervoor zou opgeven. Na de vorige zitting is het de kinderrechter gebleken dat de vader is vervallen in oud gedrag. Hij gaat de hulpverleningsrelatie met [stichting] niet aan, komt verward op de GI over en heeft aangegeven dat hij is lamgeslagen. Het is de vraag of het de vader echt om [minderjarige] gaat. Gelet hierop vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI in het gedwongen kader betrokken blijft om de regie te blijven voeren en [minderjarige] en de ouders te ondersteunen.
5.4.
Gezien de stappen die nog moeten worden genomen, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de resterende duur verlengen. Hij vindt het van groot belang dat er duidelijkheid, rust en (emotionele) veiligheid voor [minderjarige] gaat komen en dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] wordt weggenomen. Hiervoor is het nodig dat de GI en de hulpverlening samen met de ouders en [minderjarige] blijven werken aan de doelen. Van de GI verwacht de kinderrechter dat zij zicht blijven houden op [minderjarige] en zijn veiligheid, zich blijven inzetten voor zijn opvoedsituatie bij de moeder en dat zij pogingen blijven doen om de vader tot actie te laten komen. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI binnen deze verlenging aandacht heeft voor de gezagssituatie en dat duidelijk wordt of, en op welke manier, de vader zijn gezag invult en of hij daarbij misbruik van zijn gezag maakt. Hij verwacht van de GI dat zij dit op korte termijn aan de Raad zal voorleggen, zodat de Raad de gezagssituatie kan gaan onderzoeken en antwoord kan geven op de vraag of het eenhoofdig gezag door de moeder meer passend en in het belang van [minderjarige] zou zijn. Hierbij benoemt de kinderrechter nadrukkelijk dat hij dit van de GI en de Raad verwacht en niet van de moeder. De kinderrechter vindt het wenselijk dat de Raad en de GI tijdig voor augustus 2026 (aflooptermijn ondertoezichtstelling) met elkaar in gesprek gaan over de uitkomst van het Raadsonderzoek ten aanzien van de gezagssituatie. In geval de Raad meent dat de gezagssituatie anders zou moeten zijn, verwacht hij dat de Raad hiertoe eveneens tijdig een passend verzoek indient.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 8 november 2025 en tot 8 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke, griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.