ECLI:NL:RBZWB:2025:7417

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/440916 / JE RK 25-1867
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling ongeboren baby wegens risico op overvraging gezinssituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een nog ongeboren baby, gezien de onstabiele gezinssituatie en het risico dat de moeder overbelast raakt na de geboorte. De moeder was zwanger en uitgerekend in 2025, maar verscheen niet op de zitting. De Raad en de GI onderschreven het verzoek, waarbij de GI aangaf dat de moeder de controles nakomt maar de situatie kwetsbaar blijft.

De kinderrechter oordeelde dat het in het belang van de ongeboren baby is deze reeds als geboren aan te merken en onder toezicht te stellen. De moeder en vader zijn momenteel onvoldoende in staat om de bedreiging voor de ontwikkeling van de baby weg te nemen. De komst van de baby zal de gezinssituatie verzwaren, waardoor een gedwongen kader noodzakelijk is.

De ondertoezichtstelling wordt vastgesteld van 21 oktober 2025 tot 31 juli 2026, gelijklopend met de andere kinderen in het gezin. De GI krijgt de opdracht regie te voeren en de belangen van de baby te bewaken, met specifieke doelen gericht op een veilige en stabiele opvoedomgeving. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De ongeboren baby wordt onder toezicht gesteld van 21 oktober 2025 tot 31 juli 2026 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440916 / JE RK 25-1867
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
over
[de nog ongeboren baby],
hierna te noemen: de nog ongeboren baby.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. De kinderrechter heeft de zaak vanwege de samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/435894 / JE RK 25-966 behandeld. Op zaaknummer C/02/435894 / JE RK 25-966 wordt per separate beschikking beslist. Tijdens de zitting waren aanwezig:
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een vertegenwoordigster van de GI.
Tevens was tijdens de zitting aanwezig mevrouw [naam], de leerplichtambtenaar, als informant in de zaak met zaaknummer C/02/435894 / JE RK 25-966.
1.3.
De moeder is met bericht (middels afmelding via de Raad en de GI) niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel correct is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is zwanger van de nog ongeboren baby. Zij is uitgerekend op [datum] 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ongeboren baby onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar (gelijklopend aan de ondertoezichtstelling van de andere kinderen uit het gezin). De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift geeft de Raad desgevraagd aan dat er een vroeggeboorte wordt verwacht en dat om die reden de maatregel nu al nodig is. De geboorte van de baby zal ervoor zorgen dat de situatie voor de moeder zwaarder wordt, waardoor er een risico op overvraging bestaat. Momenteel komt de moeder de afspraken met de hulpverleningsinstanties wisselend na, is de samenwerking nog onvoldoende en is de moeder niet altijd stabiel als het gaat om haar emoties. Zij verwacht dat de nog ongeboren baby onder toezicht wordt gesteld, maar vindt het zelf niet nodig. Tot slot benoemt de Raad dat de vader wisselend aanwezig is bij het gezin.
4.2.
De GI staat achter het verzoek van de Raad en benoemt dat het fijn is als de termijn van de ondertoezichtstelling gelijk loopt met de andere kinderen. Gelet op de grootte van het gezin zal er vermoedelijk een extra jeugdbeschermer worden ingezet. Desgevraagd geeft de GI aan dat de moeder geen medicatie voor de longrijping neemt, vanuit de gedachte dat zij daarmee mogelijk een vroeggeboorte kan voorkomen. Zij heeft wel regelmatig controles en voor zover de GI weet, komt de moeder die afspraken na. Hierbij benoemt de GI wel dat de GI (nog) niet betrokken is bij de ongeboren baby en dat de GI om die reden niet door het ziekenhuis en/of de hulpverlening zal worden geïnformeerd als de moeder de afspraken niet nakomt. Verder hebben de ouders aangegeven dat de vader overdag bij het gezin is, maar de GI vermoedt dat de vader ook bij het gezin overnacht en de andere kinderen naar school brengt. De rol van de vader is nog niet duidelijk.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt allereerst dat op grond van artikel 1:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een kind als geboren wordt aangemerkt als dit in zijn belang is. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van de nog ongeboren baby is dat zij reeds als geboren wordt aangemerkt.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en de ongeboren baby onder toezicht van de GI stellen met ingang van 21 oktober 2025 en tot 31 juli 2026 en het overige deel van het verzoek afwijzen. Hij legt dit hierna uit.
5.4.
Uit de informatie van de Raad en de GI is het de kinderrechter gebleken dat de moeder, voor zover daar zicht op is, de (ziekenhuis)controles met betrekking tot de baby nakomt en dat de baby zich goed lijkt te ontwikkelen. Daar geeft de kinderrechter de moeder een compliment voor. Desondanks maakt de kinderrechter zich zorgen over de (blijvende) stabiliteit in het gezin, de wisselende houding van de moeder als het gaat om het nakomen van afspraken en haar draagkracht op het moment dat de baby wordt geboren. Met de komst van de baby zal de gezinssituatie zwaarder worden en bestaat de kans dat de moeder wordt overvraagd. Het is voor de moeder nu al lastig om de andere vier kinderen een stabiele opvoedsituatie te bieden en daar komt binnenkort nog de zorg voor een afhankelijke baby bij. Daarnaast is er nog geen zicht op de rol van de vader en zijn betrokkenheid bij het gezin. De vader lijkt op dit moment een steunende factor te zijn, maar onduidelijk is hoe constant dit zal zijn. Naar het oordeel van de kinderrechter is de moeder (en de vader) op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging ten aanzien van de ontwikkeling van de baby weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer die al betrokken is bij de andere kinderen ook betrokken raakt bij de baby en de moeder vanuit een gedwongen kader kan sturen en de belangen van de baby kan borgen. De kinderrechter merkt hierbij op dat hij het positief vindt wanneer er een extra jeugdbeschermer betrokken raakt. Om de termijn van de ondertoezichtstelling gelijk te laten lopen met de andere kinderen zal de kinderrechter het verzoek toewijzen tot 31 juli 2026 en het resterende deel van het verzoek afwijzen.
5.5.
De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het Raadsrapport en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
  • De ongeboren baby groeit op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving waarin de baby kan vertrouwen op contact met beide ouders en waarbij zij fysiek en emotioneel bereikbaar zijn voor de baby;
  • Er is een dagstructuur die voor alle gezinsleden op de lange termijn goed vol te houden is;
  • De draagkracht van beide ouders is in balans;
  • Ouders accepteren hulpverlening en stellen zich meewerkend op;
  • De rol van vader in het leven van de baby is helder en voorspelbaar;
  • Goed Genoeg Ouderschap wordt van beide ouders in kaart gebracht.
5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt en geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van de baby te bewaken. Van de moeder verwacht de kinderrechter dat zij met de GI en hulpverlening zal (blijven) samenwerken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van de ongeboren baby noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
stelt de ongeboren baby onder toezicht van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met ingang van 21 oktober 2025 en tot 31 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.