ECLI:NL:RBZWB:2025:7418

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/435894 / JE RK 25-966
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wegens blijvende opvoedproblemen

De zaak betreft een verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen wonen bij hun moeder, die belast is met het ouderlijk gezag. Eerdere ondertoezichtstellingen zijn reeds verlengd, de laatste tot 31 oktober 2025. De GI vraagt nu verlenging tot 31 juli 2026.

De kinderrechter constateert dat de moeder sinds september 2025 positiever samenwerkt met de GI, met een afname van schoolverzuim en verbeterd contact met de school. Desondanks is de opvoedsituatie nog onvoldoende verbeterd om de ondertoezichtstelling te beëindigen. De moeder ervaart moeite met het stellen en handhaven van regels en voelt zich soms overweldigd.

De komst van een baby in het gezin verhoogt de zorgdruk, waardoor het risico op overvraging van de moeder toeneemt. De rol van de vader is onduidelijk maar lijkt positief, wat de kinderrechter hoopt te zien voortzetten. De GI blijft noodzakelijk voor regie en ondersteuning. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling met negen maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad om de continuïteit van de zorg te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wordt verlengd tot 31 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/435894 / JE RK 25-966
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
[minderjarige 4],
geboren op [geboortedag 4] 2023 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de leerplichtambtenaar],
hierna te noemen: de leerplichtambtenaar,
werkzaam bij de [gemeente] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juli 2025 met alle daarin opgenomen en genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. De kinderrechter heeft de zaak vanwege de samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/440916 / JE RK 25-1867 behandeld. Op zaaknummer C/02/440916 / JE RK 25-1867 wordt per separate beschikking beslist. Tijdens de zitting waren aanwezig:
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • de leerplichtambtenaar.
Tevens was tijdens de zitting aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad, als verzoeker in de zaak met zaaknummer C/02/440916 / JE RK 25-1867.
1.3.
De moeder is met bericht (middels afmelding via de Raad en de GI) niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel correct is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 31 juli 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 oktober 2024. Het restant van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 oktober 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd met ingang van 31 oktober 2024 en tot 31 juli 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd met ingang van 31 juli 2025 en tot 31 oktober 2025 en het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden tot de zitting van 21 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Thans ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor negen maanden, tot 31 juli 2026.
4.
De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek en geeft aan dat er gelet op de grootte van het gezin en de komst van de baby vermoedelijk een extra jeugdbeschermer zal worden ingezet. Tot begin september 2025 verliep de samenwerking met de moeder moeizaam. Op 4 september 2025 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gestuurd, waarin de GI duidelijk heeft opgeschreven wat er van de moeder wordt verwacht en wat de gevolgen zijn als zij het niet doet. Sindsdien is er een verandering in de houding, samenwerking en communicatie met de moeder door de GI waargenomen en is het schoolverzuim van de kinderen afgenomen. Ook is er sinds de zomer een verbetering in het contact tussen de school en de moeder en is de moeder telefonisch beter bereikbaar. Verder hebben de ouders aangegeven dat de vader overdag bij het gezin is, maar de GI vermoedt dat de vader ook bij het gezin overnacht en de kinderen naar school brengt. De rol van de vader is niet duidelijk, net als dat het niet duidelijk is of de ouders weer een relatie hebben.
4.2.
De leerplichtambtenaar geeft aan dat de moeder geen vertrouwen meer had in de basisschool in [plaats 1] , waarna de kinderen bij de [basisschool] in [plaats 2] zijn aangemeld. Die school ligt op 10 kilometer van de woonplaats van de kinderen. Nu de moeder zelf geen auto heeft, moet de bus worden gebeld om de kinderen naar school te brengen. Mede daardoor was er veel schoolverzuim, maar sinds het nieuwe schooljaar is het schoolverzuim drastisch verminderd. Mogelijk door de aanwezigheid van de vader in het gezin. De leerplichtambtenaar vindt het niet ondenkbaar dat het schoolverzuim opnieuw zal toenemen als de vader wegvalt. Verder is het contact tussen de moeder en de school goed.
4.3.
De Raad staat achter het verzoek, zeker gelet op de komst van de baby waardoor de situatie zwaarder zal worden en er een risico op overvraging van de moeder is. De moeder komt wisselend haar afspraken na, is niet altijd stabiel als het gaat om haar emoties en de samenwerking met de moeder is nog onvoldoende. Ook heeft zij zelf geen hulpvraag. Zo vindt de moeder MST-CAN niet nodig, omdat de kinderen op dit moment naar school.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De kinderrechter zal het verzoek voor de duur zoals verzocht toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengen met ingang van 31 oktober 2025 en tot 31 juli 2026. Hij legt dit hierna uit.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat de moeder positief heeft gereageerd op de schriftelijke aanwijzing van de GI en dat er sinds september 2025 een verbetering in het contact en de samenwerking met de moeder zichtbaar is en dat het schoolverzuim van de kinderen drastisch is verminderd. Daar geeft de kinderrechter de moeder een groot compliment voor. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de opvoedsituatie van de kinderen nog onvoldoende is verbeterd om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Er moet een blijvende verbetering voor de kinderen komen. Er is rust en regelmaat nodig in het gezin, in de schoolgang van de kinderen en in de samenwerking van de moeder met de GI en de hulpverlening. Het doel is dat de kinderen zich (blijvend) positief kunnen ontwikkelen. Gebleken is dat de moeder het lastig vindt om regels te stellen en deze te handhaven en dat zij zich, ondanks de inzet van de hulpverlening, met momenten overweldigd voelt door de zorg voor het gezin. Daarbij weegt de kinderrechter ook mee dat er op korte termijn een baby bij het gezin zal komen en dat de gezinssituatie daardoor zwaarder zal worden, waarbij het risico bestaat dat de moeder wordt overvraagd. Verder vindt de kinderrechter het positief om te horen dat de vader een rol in het gezin lijkt te vervullen. De kinderrechter hoopt dat de vader deze rol zal blijven vervullen en zelfs zal uitbreiden. Gelet hierop vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI in het gedwongen kader betrokken blijft om de regie te blijven voeren en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en de moeder (en de vader) te ondersteunen. De kinderrechter merkt hierbij nog op dat hij het positief vindt wanneer er een extra jeugdbeschermer bij het gezin wordt betrokken.
5.4.
Gelet op de stappen die nog moeten worden genomen, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de resterende duur van negen maanden verlengen. Hij vindt het van groot belang dat er duidelijkheid en rust voor de kinderen gaat komen en dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen wordt weggenomen. Van de moeder verwacht de kinderrechter dat zij met de GI en hulpverlening zal (blijven) samenwerken.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van 31 oktober 2025 en tot 31 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.