ECLI:NL:RBZWB:2025:7419

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/439897 / JE RK 25-1683
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige deels toegewezen en deels aangehouden

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die gedrags- en ontwikkelingsproblematiek vertoont. De minderjarige verblijft in een gezinshuis en maakt daar positieve ontwikkelingen door, maar de complexiteit van zijn problemen vereist voortzetting van de maatregelen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit; de moeder stemt in met de verlenging en wenst meer contact met de minderjarige. De vader heeft schriftelijk zijn instemming betuigd. De Raad voor de Kinderbescherming voert een lopend onderzoek uit naar een gezagsbeëindigende maatregel, waarvoor verlenging van de maatregelen noodzakelijk is om het onderzoek af te ronden.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke gronden voor verlenging is voldaan en verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden, tot 1 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot ontvangst van het onderzoeksrapport, waarna een nadere zitting volgt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen de beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 1 mei 2026, met aanhouding van het resterende verzoek in afwachting van een gezagsbeëindigingsonderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439897 / JE RK 25-1683
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. I.A.C. Cools te Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda/Middelburg, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 september 2025;
  • het e-mailbericht van de vader van 9 oktober 2025;
  • de brief van de Raad van 13 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader is niet verschenen. Hij heeft zich wegens vakantie schriftelijk afgemeld.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft ervoor gekozen om een e-mail naar de kinderrechter te schrijven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en [naam 1] .
2.2.
Bij beschikking van 23 oktober 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 31 oktober 2024 tot 31 oktober 2025.
2.3.
Op basis van de verlengde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat al geruime tijd wordt gezien dat [minderjarige] moeite heeft met emotieregulatie en dat hij gedragsproblematiek kent. Het vermoeden bestaat dat onverwerkte trauma(s) ten grondslag ligt aan het gedrag van [minderjarige] . Verder zijn er vermoedens van ADHD, ASS of PTSS. Inmiddels heeft [minderjarige] in het gezinshuis zijn plekje gevonden. Het is voor [minderjarige] belangrijk geweest dat hij bij de plaatsing in het gezinshuis zijn bestaande netwerk heeft kunnen behouden (zijn weekend- en vakantiepleegmoeder [naam 2] , de jeugdbeschermer, de kindbehartiger, een aantal familieleden en zijn beste vriend). [minderjarige] heeft verder weinig sociale contacten. Hoewel [minderjarige] vorig jaar nog deeltijd naar school ging, is dit inmiddels vier dagen en één dag stage, hetgeen een belangrijke stap vooruit is. De familiedynamiek en zijn contacten met familie is op momenten voor [minderjarige] ingewikkeld. Zo wil [minderjarige] contact met zijn moeder, echter verloopt dit niet altijd op een fijne of passende manier. [minderjarige] heeft nog steeds geen contact met zijn vader, maar wel -sporadisch – met zijn tweelingzus en halfzusje. Verder heeft [minderjarige] contact met zijn tante (zus van moeder), terwijl moeder en tante geen contact met elkaar hebben en zij tegenover [minderjarige] negatief over de ander praten. Bij [minderjarige] wordt gezien dat hij nog last lijkt te hebben van ervaringen uit zijn verleden. Hoewel het gezinshuis [minderjarige] de ondersteunende structuur biedt om nieuwe, gezonde ervaringen op te doen, zijn sommige problemen te complex om binnen deze context alleen aan te pakken. Momenteel krijgt [minderjarige] paarden coaching, hetgeen hij fijn vindt, maar de vraag rijst of dit voldoende is.
4.2.
[minderjarige] wil graag duidelijkheid over zijn toekomstperspectief. Hij is zich ervan bewust dat hij niet meer bij ouders zal gaan wonen. Inmiddels heeft de GI bij de Raad een verzoek neergelegd om een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. Dat onderzoek is thans in volle gang. Zo heeft de Raad beide ouders reeds gesproken.
4.3.
Mr. Cools brengt naar voren dat de moeder gelet op de nog aanwezige zorgen instemt met het verzoek. De moeder ziet dat [minderjarige] zich op de huidige plek in positieve zin ontwikkelt. De moeder vindt het daarom prima als die situatie gecontinueerd kan worden. Wel zou de moeder graag meer contact met [minderjarige] willen hebben dan de huidige eenmaal per keer gedurende veertien dagen, voor zover [minderjarige] daar ook achter kan staan. Volgens de moeder heeft zij bij de vorige jeugdbeschermer de bereidheid daarvoor nooit zo mogen ervaren. De moeder hoopt in dat opzicht met de onlangs aangestelde jeugdbeschermer een nieuwe start te kunnen gaan maken. Namens de moeder brengt mr. Cools ook naar voren dat hem ambtshalve bekend is, dat de Raad momenteel tevens onderzoek doet naar een gezagsbeëindigende maatregel aangaande het halfzusje van [minderjarige] , genaamd [naam 3] . Mr. Cools doet namens de moeder het verzoek om beide procedures te stroomlijnen, zodat te zijner tijd beide procedures zoveel als mogelijk tegelijkertijd voor afdoening aan de orde zullen komen. De moeder beaamt daarbij dat zij voor wat betreft het onderzoek van [minderjarige] reeds gesproken heeft met de Raad.
4.4.
De vader heeft schriftelijke laten weten het eens te zijn met het verzoek van de GI.
4.5.
De Raad geeft aan dat de GI op 14 februari 2025 een verzoek heeft gedaan voor een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. Dit onderzoek is reeds gestart, maar is nog niet afgerond. Omdat in beide verzoeken naar de mogelijkheden wordt gekeken van een thuisplaatsing van [minderjarige] zal er één onderzoek gedaan worden, namelijk het onderzoek naar een gezagsbeëindiging. Dit betekent dat de Raad de kinderrechter verzoekt om de uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te verlengen, zodat de Raad het gevraagde onderzoek naar de gezagsbeëindiging kan uitvoeren.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat bij [minderjarige] nog steeds sprake van gedrags- en (sociaal-emotionele) ontwikkelingsproblematiek. In het gezinshuis maakt [minderjarige] gestaag een positieve ontwikkeling door. De kinderrechter hecht belang aan deze positieve ontwikkeling, en om deze niet teniet te laten gaan, zullen de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd, nu aan de grond voor beide maatregelen wordt voldaan. De ouders en [minderjarige] verzetten zich daartegen niet.
5.5.
Gebleken is dat de Raad reeds is gestart met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. De Raad vraagt de kinderrechter in dit verband om, naar de kinderrechter begrijpt, zowel de ondertoezichtstelling áls de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te verlengen, zodat de Raad binnen die termijn het onderzoek zal kunnen afronden. Namens de moeder is er op gewezen dat de Raad momenteel tevens onderzoek doet naar een gezagsbeëindigende maatregel aangaande het halfzusje van [minderjarige] , genaamd [naam 3] . Mr. Cools doet namens de moeder het verzoek om beide procedures te stroomlijnen, zodat te zijner tijd beide procedures zoveel als mogelijk tegelijkertijd voor afdoening aan de orde zullen komen. Gebleken is echter dat de procedure over [naam 3] is aangehouden tot 13 november 2025 pro forma, in afwachting van het onderzoeksrapport van de Raad. Nu de Raad in deze procedure van [minderjarige] vraagt om de maatregelen te verlengen voor de duur van zes maanden, wordt niet verwacht dat het onderzoek van [minderjarige] naar de gezagsbeëindigende maatregel reeds half november 2025 zal zijn afgerond. De kinderrechter ziet hierin aanleiding om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te verlengen en het verzoek voor het overige tot de na te melden pro forma datum aan te houden. Dit in afwachting van het onderzoeksrapport van de Raad over de gezagsbeëindigende maatregel. Na binnenkomst van dit rapport zal de zaak voor een nadere zitting opnieuw ingepland worden. Afhankelijk van de onderzoeksuitkomsten zal dit een mondelinge behandeling zijn bij de enkelvoudige kamer of bij de meervoudige kamer. De GI, de Raad en de belanghebbenden zullen daarvoor te zijner tijd per brief worden opgeroepen.
5.6.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt op grond van artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 31 oktober 2025 tot 1 mei 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 31 oktober 2025 tot 1 mei 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot
donderdag 26 maart 2026 pro forma, in afwachting van het rapport van de Raad;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.