ECLI:NL:RBZWB:2025:7482

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/441219 / FA RK 25-5479
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:241 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige voogdij gecertificeerde instelling over minderjarige wegens afzien moeder van gezag

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 31 oktober 2025 besloten de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling over de minderjarige te verlengen van 8 november 2025 tot 25 januari 2026. Dit volgt op een eerdere beschikking waarbij de voorlopige voogdij reeds voor twee weken was toegekend.

De moeder van de minderjarige heeft via het FIOM laten weten af te zien van haar recht om gehoord te worden en is akkoord met het verzoek tot voorlopige voogdij. Uit de stukken blijkt dat de moeder serieus overweegt afstand te doen van de minderjarige, en zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, is het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling het gezag uitoefent om de belangen van het kind te behartigen.

De kinderrechter acht de maatregel dringend en onverwijld noodzakelijk en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt een aantekening in het centraal gezagsregister gevraagd. De voorlopige voogdij eindigt van rechtswege na drie maanden, tenzij voor die tijd een voorziening in het gezag wordt gevraagd.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling over de minderjarige tot 25 januari 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441219 / FA RK 25-5479
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ROTTERDAM-DORDRECHT,
locatie Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
domicilie kiezende te [woonplaats],
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van [geboortedag] 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het e-mailbericht van het FIOM van 28 oktober 2025.
1.2.
Oorspronkelijk stond er een zitting in deze zaak gepland op 7 november 2025. Bij e-mailbericht van 28 oktober 2025 heeft het FIOM de kinderrechter laten weten dat de moeder akkoord is met de tijdelijke beëindiging van haar gezag en dat zij niet naar de zitting zal komen.
1.3.
Uit voormeld e-mailbericht van het FIOM blijkt dat de moeder akkoord is met het verzoek en dat zij afziet van het recht om gehoord te worden. De kinderrechter heeft daarop besloten de reeds ingeplande zitting geen doorgang te laten vinden en de zaak verder schriftelijk af te doen. De kinderrechter acht zich op grond van de stukken voldoende geïnformeerd om op het verzoek te beslissen.

2.De feiten

2.1.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van [geboortedag] 2025 is [minderjarige] onder voorlopige voogdij gesteld van de GI voor de duur van twee weken, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De (nadere) beoordeling

Spoedbeslissing
4.1.
Bij beschikking van [geboortedag] 2025 is de voorlopige voogdij uitgesproken voor de duur van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek totdat de belanghebbenden de gelegenheid hebben gehad om te worden gehoord.
4.2.
De overgelegde stukken geven de kinderrechter geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat de spoedbeslissing moet worden herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterend deel van het verzoek
4.3.
De kinderrechter kan ingevolge artikel 1:241, eerste, tweede en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de Raad een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over een minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. De maatregel vervalt na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.
4.4.
Er is naar het oordeel van de kinderrechter voldaan aan de wettelijke voorwaarden als vermeld in artikel 1:241 BW Pro voor voorlopige voogdij. De verzochte maatregel is dringend en onmiddellijk noodzakelijk om de belangen van [minderjarige] te kunnen behartigen. Op dit moment en mogelijk ook in de toekomst is de moeder niet bereid dan wel in staat het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen en de daarbij horende verantwoordelijkheid voor beslissingen in het belang van [minderjarige] zelfstandig te nemen.
4.5.
Uit de overlegde stukken is gebleken dat de moeder serieus overweegt om afstand te doen van [minderjarige]. Zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, dient er in het gezag over [minderjarige] te worden voorzien. De betrokkenheid van de GI is nodig om de belangen van [minderjarige] te kunnen behartigen en te kunnen ingrijpen wanneer dat nodig is. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek toewijzen.
4.6.
Gelet op artikel 1:241, vierde lid, BW vervalt deze maatregel
van rechtswege na drie maanden, gerekend vanaf [geboortedag] 2025, tenzij voor het einde van
die termijn aan de rechter een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Aantekening gezagsregister
4.8.
De kinderrechter zal de griffier verzoeken om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister, zodat voor iedereen kenbaar is hoe de voorlopige voogdij over [minderjarige] geregeld is.
4.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige] met ingang van 8 november 2025 tot 25 januari 2026;
5.2.
bepaalt dat aan de GI alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige] die in het belang van [minderjarige] noodzakelijk zijn, worden toegekend;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 25 januari 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;
5.5.
verzoekt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.