ECLI:NL:RBZWB:2025:7483

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
02-800974-13
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e SrArt. 6:6:10b SvArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tbs met dwangverpleging bij vertrek uit Nederland onder terugkeervoorwaarde

Betrokkene is veroordeeld tot gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens meerdere ernstige delicten. De tbs is sinds 2019 van kracht en werd in 2023 voor twee jaar verlengd. De tbs-instelling en deskundigen adviseren verlenging vanwege een nog aanwezige stoornis en hoog recidiverisico, maar ook beëindiging van de tbs bij vertrek uit Nederland met terugkeervoorwaarde.

Tijdens de zitting is vastgesteld dat betrokkene goed medicatie gebruikt en zijn dagbesteding uitvoert, maar geen therapie meer volgt. De repatriëring naar Marokko is voorbereid, met een kliniek waar betrokkene intramuraal behandeld zal worden en waar medicatie voortgezet wordt. Reisdocumenten en behandelovereenkomst zijn aanwezig.

De rechtbank oordeelt dat de tbs kan worden beëindigd op grond van artikel 6:6:10b Sv, mits betrokkene Nederland verlaat en niet terugkeert. Tot vertrek blijft de tbs van kracht. Deze maatregel waarborgt de veiligheid en sluit aan bij de mogelijkheden van resocialisatie buiten Nederland.

Uitkomst: De tbs met dwangverpleging wordt beëindigd vanaf het moment dat betrokkene Nederland verlaat, onder de voorwaarde dat hij niet terugkeert.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-800974-13
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 31 oktober 2025
op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van
[betrokkene]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984
verblijvende te [FPC] , [adres]

1.De stukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie d.d. 3 september 2025, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna tbs) met twee jaren;
- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [betrokkene] over de periode 2 november 2023 tot en met 7 juli 2025;
- het rapport van [FPC] d.d. 29 augustus 2025, waarin het advies van de inrichting is vermeld;
- de aanvullende stukken over de repatriëring van [betrokkene] d.d. 25 september 2025.

2.De procesgang

Bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2017 is betrokkene veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf en tbs met verpleging van overheidswege wegens
twee keer een poging tot moord, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie,
meermalen gepleegd en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen
gepleegd.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 oktober 2019 het arrest van het gerechtshof vernietigd,
maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste
lid. van het Wetboek van Strafrecht.
De tbs is op 29 oktober 2019 aangevangen en voor het laatst bij beslissing van 3 november 2023 verlengd voor een termijn van twee jaren.
Tijdens het onderzoek ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 17 oktober 2025 is de officier van justitie gehoord. Tevens is [betrokkene] gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. Perkovic, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht. Verder zijn [deskundige 1] (regiebehandelaar en GZ-psycholoog) en [deskundige 2] (adviseur repatriëring) als deskundigen gehoord.

3.Het advies van de tbs-instelling

De tbs-instelling heeft geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaren. De tbs-instelling heeft daartoe aangevoerd dat bij [betrokkene] nog altijd sprake is van een stoornis en het recidiverisico hoog is wanneer het tbs-kader weg zou vallen. Daarnaast moeten er nog stappen worden gezet om de repatriëring van [betrokkene] op verantwoorde wijze vorm te geven.
In aanvulling op dit advies is een overzicht ontvangen met de stappen die reeds in het kader van de repatriëring zijn gezet. Op basis van die stand van zaken adviseert deskundige [deskundige 2] de rechtbank om de tbs te verlengen met één jaar, zodat [betrokkene] tot zijn aanstaande vertrek bij [FPC] kan verblijven. Daarnaast adviseert de deskundige de tbs op te heffen vanaf het moment dat [betrokkene] Nederland daadwerkelijk verlaat en onder de voorwaarde dat hij niet terug zal keren naar Nederland. Ter zitting heeft de deskundige dit standpunt herhaald en aangevuld dat [betrokkene] naar verwachting in november 2025 naar Marokko zal kunnen vertrekken.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering aangepast in die zin dat de tbs slechts verlengd dient te worden met één jaar. Hij heeft daarnaast gevorderd de tbs op te heffen vanaf het moment dat [betrokkene] Nederland daadwerkelijk verlaat en onder de voorwaarde dat hij niet terug zal keren naar Nederland.

5.Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de tbs te verlengen met maximaal één jaar, maar met opheffing van de tbs vanaf het moment dat [betrokkene] Nederland daadwerkelijk verlaat en onder de voorwaarde dat hij niet terug zal keren naar Nederland. Zij refereert hierbij aan het oordeel van de rechtbank voor de precieze formulering van de beslissing.

6.Het oordeel van de rechtbank

De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.
Gelet op de adviezen van de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundigen concludeert de
rechtbank dat bij betrokkene nog steeds sprake is van een dergelijke ziekelijke stoornis. Daarnaast is de rechtbank op basis van de stukken van oordeel dat sprake is van een hoog recidiverisico als het tbs-kader wegvalt. In beginsel is er dus voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de tbs.
De tbs van [betrokkene] duurt inmiddels ruim zes jaar. Hij is in Nederland ongewenst verklaard, wat betekent dat hij in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit brengt met zich dat (verdere) resocialisatie in Nederland uitgesloten is en dat de huidige behandeling enkel is gericht op terugkeer naar Marokko. In een dergelijk geval heeft de rechtbank de mogelijkheid om op grond van artikel 6:6:10b Sv de tbs met verpleging van overheidswege te beëindigen onder de voorwaarde dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert.
De rechtbank stelt vast dat uit het advies van de inrichting blijkt dat [betrokkene] momenteel goed is ingesteld op zijn medicatie. Hij neemt deze medicatie ook trouw in. Verder voert hij zijn dagbesteding al geruime tijd goed uit en dat gedurende vijf dagen in de week. Hij volgt echter geen therapieën meer, omdat hij vindt dat hij klaar is en dat het goed gaat. Het behandelteam ziet nog altijd wisselend functioneren en heeft daardoor zorgen. [betrokkene] wil zo snel en stabiel mogelijk naar Marokko vertrekken en zet zich ook in om dat mogelijk te maken, door bijvoorbeeld sinds een aantal maanden geen softdrugs meer te gebruiken. Uit de aanvullende stukken over de repatriëring blijkt dat [betrokkene] in Marokko terecht kan bij een kliniek genaamd ‘ [kliniek] ’. Dit is een kliniek waarin betrokkene eerst zes maanden intramuraal zal worden behandeld en vervolgens zal er stapsgewijs worden toegewerkt naar het verblijf van betrokkene bij zijn neef. De medicatie die betrokkene in Nederland gebruikt, is ook in Marokko voorhanden en het medicijngebruik zal daar worden gecontinueerd. Men is uitsluitend nog in afwachting van reisdocumenten en een ondertekende behandelovereenkomst met de kliniek, voordat de repatriëring daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Ter zitting is door [betrokkene] verklaard dat de ontbrekende reisdocumenten inmiddels in zijn bezit zijn. Dit is bevestigd door deskundige [deskundige 2] . Ook de behandelovereenkomst is een feit. Hiermee zijn alle voorbereidingen voor het vertrek voltooid waardoor de verwachting is dat [betrokkene] in november van dit jaar naar Marokko kan vertrekken. De deskundigen hebben desgevraagd ter zitting de rechtbank verzocht een zodanige beslissing te nemen dat hieraan daadwerkelijk uitvoer zou kunnen worden gegeven.
Op basis van de door de kliniek en de deskundigen verstrekte informatie is de rechtbank van oordeel dat er voor [betrokkene] in Marokko een passende (vervolg)voorziening is gevonden die met voldoende waarborgen (qua behandeling, medicijngebruik en stapsgewijze vrijheden) is omkleed voor zowel [betrokkene] als de maatschappij. Hierdoor kan het risico op nieuwe delicten tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de tbs met verpleging van overheidswege moet eindigen op grond van het bepaalde in artikel 6:6:10b Sv. Als voorwaarde voor die beëindiging geldt dat [betrokkene] Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert. De tbs eindigt daarmee op het moment dat hij Nederland heeft verlaten en herleeft van rechtswege indien hij in Nederland zou terugkeren.
Tot het moment dat [betrokkene] feitelijk vertrokken is uit Nederland, blijft de tbs met verpleging van overheidswege van kracht en kan de officier van justitie zo nodig te zijner tijd een verlenging van de tbs vorderen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De beslissing berust op artikel 6:6:10b van het Wetboek van Strafvordering.

8.De beslissing

De rechtbank beëindigt de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege vanaf het moment en onder de voorwaarde dat de veroordeelde Nederland verlaat. Hier geldt tevens de voorwaarde dat [betrokkene] niet naar Nederland terugkeert.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Eekelen en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 oktober 2025.
Mr. Schnitzler-Strijbos is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.