AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak verkrachting wegens onvoldoende steunbewijs in zedenzaken
Op 31 oktober 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting op 20 mei 2024. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 17 oktober 2025, waarbij zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten presenteerden.
De tenlastelegging betrof het feit dat verdachte het slachtoffer onverhoeds zou hebben gedwongen tot anale seks. De verklaringen van het slachtoffer en verdachte liepen uiteen over de aard van het seksuele contact en de mate van dwang. De rechtbank paste de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 SvPro toe, die vereist dat de verklaring van één getuige, ook als betrouwbaar, ondersteund moet worden door aanvullend bewijs.
Hoewel een getuigenverklaring en WhatsApp-gesprekken aanwezig waren, oordeelde de rechtbank dat deze ondersteunende bewijzen onvoldoende waren om de verklaring van het slachtoffer te staven, omdat deze ook in lijn konden zijn met de lezing van verdachte. Daarom werd verdachte vrijgesproken van verkrachting. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, die zij bij de burgerlijke rechter kan voortzetten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-121638-25
vonnis van de meervoudige kamer van 31 oktober 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadsman mr. P. Susijn, advocaat te Tilburg
1.Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 oktober 2025, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [naam] (hierna: [naam] ) heeft verkracht.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam] heeft verkracht.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak omdat de voor verkrachting vereiste dwang niet kan worden bewezen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Zedenzaken zoals deze zaak kenmerken zich in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen aanwezig zijn: een verondersteld slachtoffer en een veronderstelde dader. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 vanPro het Wetboek van Strafvordering houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Ook als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, is die enkele verklaring onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Er moet dus meer bewijs zijn; iets dat die verklaring ondersteunt. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de belastende verklaring worden genoemd ondersteuning vindt in één of meer bewijsmiddelen. Het ondersteunende bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van de aangever en moet bovendien uit een andere bron komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren.
In dit geval staat vast dat verdachte en [naam] op 20 mei 2024 (anale) seks met elkaar hebben gehad. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting als bedoeld in artikel 242 vanPro het Wetboek van Strafrecht (oud) te kunnen komen, moet vast komen te staan dat verdachte [naam] heeft gedwongen om het seksueel contact te ondergaan door zijn penis onverhoeds in haar anus te steken.
De lezingen van [naam] en verdachte over dit seksuele contact lopen uiteen. [naam] heeft, kort gezegd, verklaard dat zij op haar buik op bed lag en dat verdachte plotseling met zijn penis in haar anus ging. Volgens [naam] wist verdachte dat [naam] geen anale seks wilde en zei verdachte op dat moment “Joh, kan toch wel”. Verdachte heeft verklaard dat hij en [naam] vaak experimenteerden op het gebied van seks. Volgens hem was het stoppen van zijn penis in de anus van [naam] op dat moment een logische vervolgstap, gelet op de seksuele handelingen voorafgaand aan dit moment, die bestonden uit het eerst met zijn tong en vinger binnengaan van haar anus en is hij onmiddellijk gestopt toen [naam] dit aangaf. Volgens verdachte wist hij niet en kon hij ook niet weten dat [naam] dit niet wilde gelet op de voorafgaande seksuele handelingen en de manier waarop zij ook daarvoor experimenteerden, waarbij vaker werd gevraagd of het oké was nadat met de handelingen was begonnen. Zowel [naam] als verdachte verklaren dat [naam] na dit seksuele contact erg emotioneel was.
Gelet op de uiteenlopende lezingen zal de rechtbank eerst beoordelen of er voor de verklaring van [naam] voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. De rechtbank overweegt als volgt.
In het dossier zit een getuigenverklaring van [getuige] , een vriendin van [naam] . [getuige] heeft verklaard dat [naam] , toen zij over dit seksuele contact vertelde, heel erg verdrietig was en dat [naam] bijna niet uit haar woorden kwam, omdat ze zo overstuur was. De officier van justitie ziet hierin bewijs dat de verklaring van [naam] ondersteunt. De rechtbank is echter van oordeel dat de door [getuige] waargenomen gemoedstoestand van [naam] past in zowel de lezing van [naam] als die van verdachte. Deze gemoedstoestand zou kunnen aansluiten bij wat [naam] heeft verklaard over wat haar is overkomen, maar ook bij wat verdachte hierover heeft verklaard: namelijk dat [naam] emotioneel was omdat zij pijn had door zijn handeling.
Ook de Whatsappgesprekken in het dossier tussen [naam] en verdachte passen naar het oordeel van de rechtbank in beide lezingen.
Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van [naam] dat verdachte haar heeft verkracht. Zij zal verdachte daarom vrijspreken.
5.De benadeelde partij
De benadeelde partij [naam] vordert een schadevergoeding van € 7.702,97, waarvan € 1.702,97 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6.De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
De benadeelde partij [naam]
- verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en A.M. de Koning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 oktober 2025.
Mr. De Koning is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 20 mei 2024 te Breda, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds, [naam] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam] , te weten het met zijn penis penetreren van de anus van die [naam] ; (art. 242 WetboekPro van Strafrecht)