ECLI:NL:RBZWB:2025:750

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
12 februari 2025
Zaaknummer
C/02/431336 HA RK 25-10
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Peters
  • Kool
  • Van der Ploeg - Hogervorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 AwbArtikel 4, tweede lid, aanhef en onder f Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter wegens eerdere uitspraak en zittingsplanning afgewezen als kennelijk niet-ontvankelijk

Verzoeker diende op 29 januari 2025 een wrakingsverzoek in tegen mr. Boersma, rechter in de hoofdzaak BRE 24-7980, nadat een eerder wrakingsverzoek op 9 januari 2025 reeds kennelijk ongegrond was verklaard. Verzoeker was het niet eens met een eerdere uitspraak van dezelfde rechter en betwistte de planning van een zitting op 26 maart 2025, die volgens hem nadelig uitpakt voor zijn positie.

De wrakingskamer oordeelde dat het nieuwe wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte en dezelfde gronden als het eerdere verzoek gebruikte. De kamer besloot de mondelinge behandeling achterwege te laten en wees het verzoek af op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder f van het Wrakingsprotocol.

Daarnaast werd een wrakingsverbod opgelegd op grond van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verzoeker het wrakingsmiddel lichtvaardig en misbruik van recht toepaste. Verzoeker had in meerdere zaken tegen dezelfde rechter wrakingsverzoeken ingediend, waarvan sommige waren ingetrokken.

De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van zaken ten tijde van de schorsing door het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van recht.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Middelburg
zaaknummer / rekestnummer: C/02/431336 HA RK 25-10
Beslissing van 11 februari 2025 op het wrakingsverzoek van:
[verzoeker],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verder te noemen verzoeker,
procederend in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
  • het wrakingsverzoek van 29 januari 2025 gericht tegen mr. Boersma, in zijn hoedanigheid van rechter van deze rechtbank;
  • het e-mailbericht van 30 januari 2025 van mr. Boersma, waarin hij meedeelt niet in de wraking te berusten;
  • de e-mailberichten van verzoeker van 30 januari 2025 en 9 februari 2025 aan de wrakingskamer;
  • de processtukken zoals opgenomen in het dossier in de hoofdzaak met zaaknummer BRE 24-7980.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter mr. Boersma (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het beroep van verzoeker in de procedure met zaaknummer BRE 24-7980 (hierna: de hoofdzaak).
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De feiten en de gronden van het wrakingsverzoek

3.1
Verzoeker heeft op 26 november 2024 een beroepschrift ingediend. Op 24 december 2024 heeft verzoeker een brief van de rechtbank ontvangen, waarin staat dat het beroep op zitting van 26 maart 2025 door de rechter wordt behandeld. Verzoeker wordt opgeroepen om in persoon te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.
3.2
Verzoeker kan zich niet vinden in de beslissing om zijn beroep op zitting te behandelen. Op 24 december 2024 verzocht hij om dupliek van de inspecteur van de belastingdienst of om sluiting van het onderzoek, gevolgd door een uitspraak van de rechtbank op zijn beroep. Op 1 januari 2025 en 7 januari 2025 heeft verzoeker aan de rechter verzocht om een verschoningsverzoek in te dienen.
3.3.
Op 9 januari 2025 heeft de rechtbank aan verzoeker meegedeeld dat de rechter geen reden ziet voor indiening van een verschoningsverzoek. Vervolgens heeft verzoeker op dezelfde datum een wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. De wrakingskamer heeft bij uitspraak van 28 januari 2025 het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard. [1] Vervolgens heeft verzoeker op 29 januari 2025 een nieuw wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend.
3.4.
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek, kort samengevat, ten grondslag dat de rechter in een eerder beroep van verzoeker al uitspraak heeft gedaan. [2] Verzoekers beroep is destijds ongegrond verklaard. Verzoeker is het niet eens met de inhoud van die eerdere uitspraak. Daarnaast stelt verzoeker dat het plannen van een zitting om zijn beroep te behandelen alleen ten voordele komt van de inspecteur van de belastingdienst. Verzoeker heeft namelijk een dwangoproep gekregen en verwacht negatieve gevolgen als hij op de zitting van 26 maart 2025 niet in persoon verschijnt. De inspecteur van de belastingdienst heeft daarentegen een vrijblijvende uitnodiging gekregen.

4.De beoordeling

4.1
Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. De wrakingskamer stelt in dat verband vast dat sprake is van een opvolgend (tweede) wrakingsverzoek ten aanzien van eenzelfde rechter. Verzoeker heeft ten opzichte van zijn vorige wrakingsverzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden aan het huidige wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Het huidige wrakingsverzoek bevat daarnaast dezelfde gronden als het wrakingsverzoek van 9 januari 2025. De wrakingskamer heeft in haar uitspraak van 28 januari 2025 hierover al een oordeel gegeven.
4.2
Omdat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder f van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

5.Wrakingsverbod

5.1
De wrakingskamer ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker gericht tegen de rechter in deze hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het middel van wraking lichtvaardig heeft ingezet en dat daarom sprake is van misbruik van recht. Verzoeker heeft in de hoofdzaak twee wrakingsverzoeken ingediend. Het huidige wrakingsverzoek is één dag na de uitspraak van de wrakingskamer op verzoekers vorige wrakingsverzoek ingediend. Daarnaast bevat het huidige wrakingsverzoek dezelfde gronden als het eerdere wrakingsverzoek. Ook wordt in aanmerking genomen dat verzoeker in andere beroepen op 2 mei 2024 en op 20 juni 2024 wrakingsverzoeken heeft ingediend tegen deze rechter. Verzoeker heeft deze wrakingsverzoeken uiteindelijk ingetrokken voordat de wrakingskamer uitspraak kon doen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking kennelijk niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het wrakingsverzoek;
  • bepaalt dat een volgend verzoek om wraking, voor zover gericht tegen de rechter in de hoofdzaak, niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven op 11 februari 2025 door mr. Peters, rechter en voorzitter, mr. Kool en mr. Van der Ploeg - Hogervorst, rechters, in aanwezigheid van mr. De Mul, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBZWB:2025:446.
2.Uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 april 2024, ECL:NL:RBZWB:2024:2447.