Verzoeker diende op 29 januari 2025 een wrakingsverzoek in tegen mr. Boersma, rechter in de hoofdzaak BRE 24-7980, nadat een eerder wrakingsverzoek op 9 januari 2025 reeds kennelijk ongegrond was verklaard. Verzoeker was het niet eens met een eerdere uitspraak van dezelfde rechter en betwistte de planning van een zitting op 26 maart 2025, die volgens hem nadelig uitpakt voor zijn positie.
De wrakingskamer oordeelde dat het nieuwe wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte en dezelfde gronden als het eerdere verzoek gebruikte. De kamer besloot de mondelinge behandeling achterwege te laten en wees het verzoek af op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder f van het Wrakingsprotocol.
Daarnaast werd een wrakingsverbod opgelegd op grond van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verzoeker het wrakingsmiddel lichtvaardig en misbruik van recht toepaste. Verzoeker had in meerdere zaken tegen dezelfde rechter wrakingsverzoeken ingediend, waarvan sommige waren ingetrokken.
De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van zaken ten tijde van de schorsing door het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.