ECLI:NL:RBZWB:2025:7509

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/440389 / JE RK 25-1760
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Willemsen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:255 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en contactproblemen

De vader verzocht om ondertoezichtstelling van zijn twee minderjarige kinderen omdat hij vreest dat hun ontwikkeling ernstig wordt bedreigd door het afgebrokkelde contact sinds het vertrek van de moeder in 2024. Het contact tussen vader en kinderen is beperkt tot videobellen met één kind, terwijl het andere kind geen contact meer wenst.

De moeder verzet zich tegen de ondertoezichtstelling, stellende dat zij altijd heeft meegewerkt aan hulpverlening en dat de vader zijn aandeel in de situatie moet erkennen. De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen gronden voor een ondertoezichtstelling maar maakt geen bezwaar als de rechter dit besluit.

De kinderrechter oordeelt dat er sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreiging, mede door het ontbreken van onbelast contact en het risico op loyaliteitsproblemen. De moeder wordt geacht onvoldoende in staat te zijn deze bedreiging zelfstandig weg te nemen, mede vanwege haar belaste voorgeschiedenis met de vader.

Daarom wordt een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar bevolen, waarbij Jeugdbescherming West Zuid Holland wordt aangewezen als gecertificeerde instelling. De ondertoezichtstelling moet zorgen voor regie op hulpverlening, psycho-educatie voor de vader en het herstel van onbelast contact tussen vader en kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De minderjarige kinderen worden onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming West Zuid Holland voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440389 / JE RK 25-1760
datum uitspraak: 30 oktober 2025
beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. Huisman,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. Avontuur,
en
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND WEST-BRABANT,
locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het op 30 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vader.
1.2.
Op 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. Op deze zitting zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het in deze procedure gedane verzoek en de verzoeken onder zaaknummer C/02/427454 / FA RK 24-4696 zijn beide zaken tijdens de mondelinge behandeling samen behandeld. In de zaak met zaaknummer
C/02/427454 / FA RK 24-4696 is bij afzonderlijke beschikking beslist.
1.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd uitgenodigd om in een gesprek of schriftelijk aan de kinderrechter te vertellen wat zij belangrijk vinden en wat hun wensen en behoeften zijn. [minderjarige 2] heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt en zij heeft op 16 oktober 2025 een telefoongesprek gehad met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
Zoals blijkt uit de stellingen van partijen en de ingediende stukken staat het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie zijn geboren de volgende, nu nog minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats], en
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats];
- de vader heeft de kinderen erkend;
- de moeder oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.Het verzoek

De vader verzoekt, samengevat, de ondertoezichtstelling van de kinderen.

4.De standpunten

Standpunt van de vader
4.1.
Voor de onderbouwing van zijn verzoek geeft de vader aan dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. Sinds het vertrek van de vrouw in augustus 2024 is de afstand tussen hem en de kinderen alleen maar groter geworden, ondanks de inzet van hulpverlening vanuit het vrijwillig kader. In eerste instantie was sprake van begeleide omgang, maar dit is teruggebracht naar één keer per week op maandag videobellen met de kinderen. Dit videobellen gebeurt inmiddels nog alleen met [minderjarige 2] , omdat [minderjarige 1] heeft aangegeven dit niet langer te willen. De vader voelt zich steeds machtelozer en is bang dat het niet meer zal lukken om het contact tussen hem en de kinderen te herstellen. Volgens de vader is een gedwongen kader noodzakelijk, zodat met behulp van een vaste jeugdbeschermer gewerkt kan worden aan een verbetering van de situatie van de kinderen, aan herstel van vertrouwen en aan het weer opbouwen van een goede band en frequente omgang tussen hem en de kinderen. Ook vanuit de vrouwenopvang is destijds aangegeven dat een ondertoezichtstelling van de kinderen nodig was en deze visie wordt gedeeld door [hulpverlening].
Standpunt van de moeder
4.2.
De moeder voert gemotiveerd verweer. Zij ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling, omdat zij de aangeboden hulpverlening altijd heeft geaccepteerd. Ook nu staan de kinderen op een wachtlijst voor psychologische ondersteuning en krijgen zij extra begeleiding vanuit school maatschappelijk werk. Volgens de moeder moet de vader zijn focus leggen op het onderkennen van zijn aandeel in de ontstane situatie. Het is belangrijk dat de vader de kinderen erkenning kan geven voor hetgeen is gebeurd. Ook is het aan de vader om ervoor te zorgen dat hij beter kan aansluiten bij de kinderen.
Standpunt van de Raad
4.3.
De Raad heeft toegelicht dat zij geen bezwaren zien tegen een ondertoezichtstelling, maar dat zij zelf hiertoe geen verzoek zullen doen. Door de Raad wordt niet gezien dat wordt voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling. De moeder werkt mee aan de hulpverlening. Uiteindelijk zal moeten worden gekomen tot een vorm van begeleid contact tussen de vader en de kinderen en de Raad ziet hierin een regie-voerende rol vanuit de gemeente. Indien de kinderrechter overgaat tot een ondertoezichtstelling van de kinderen verzoekt de Raad om de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid Holland hiervoor aan te wijzen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen op verzoek van een ouder als de Raad niet overgaat tot indiening van het verzoek.
5.2.
Op de zitting heeft de Raad verklaard geen ondertoezichtstelling te verzoeken, omdat volgens hem de gronden hiervoor niet aanwezig zijn. Omdat de Raad geen ondertoezichtstelling verzoekt, is de vader ontvankelijk in zijn verzoek. De kinderrechter zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek.
5.3.
Om een kind onder toezicht te kunnen stellen moet op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro sprake zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Daarnaast moet de ouder met gezag onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. De rechtbank moet wel de verwachting hebben dat de ouder met gezag dat binnen afzienbare tijd wel weer kan. De rechtbank vindt dat aan deze vereisten is voldaan.
Ernstige ontwikkelingsbedreiging
5.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter worden de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben in hun jonge leven al het nodige meegemaakt en de kinderrechter maakt zich zorgen over de consequenties hiervan op hun ontwikkeling. Daarnaast hebben beide kinderen op dit moment geen onbelast contact met hun vader. Sinds de beëindiging van de relatie tussen partijen in januari 2024 is het contact tussen de man en de kinderen afgebrokkeld. Sinds eind augustus 2024 is er geen begeleid fysiek contact meer geweest tussen de vader en de kinderen. Op dit moment videobelt de vader iedere maandag met [minderjarige 2] . Met [minderjarige 1] is er in het geheel geen contact meer. Gelet op haar ervaringen met de vader is het voor de moeder moeilijk om de kinderen in het geheel niet te belasten met haar eigen beeld van de vader.
5.5.
Omdat de belevingen van de ouders zo ver uit elkaar liggen en zij andere ideeën hebben over wat in het belang is van de kinderen, is er ook een risico dat de kinderen loyaliteitsproblemen krijgen. De kinderrechter heeft op basis van de stukken de indruk dat hiervan al sprake is en zij maakt zich zorgen hierover. Er moet zicht komen op de belevingswereld van de kinderen en wat in hun belang is.
Vrijwillig kader ontoereikend
5.6.
Een ondertoezichtstelling richt zich in beginsel op de gezaghebbende ouder, in dit geval de moeder. De kinderrechter heeft niet de verwachting dat de moeder in staat is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen volledig zelfstandig weg te nemen en zij is van oordeel dat dit simpelweg niet van de moeder mag worden verwacht. Zij heeft een ernstig belaste voorgeschiedenis met de vader en van enige communicatie is geen sprake. Op dit moment helpt de moeder [minderjarige 2] bij de videobelmomenten met haar vader, maar dit valt haar erg zwaar. Zij heeft ook aangegeven dit niet langer te willen doen. Een jeugdbeschermer is naar het oordeel van de kinderrechter nodig om toe te zien op de hulpverlening die de kinderen nodig hebben. Daarnaast is ook een gedwongen kader nodig om ervoor te zorgen dat de vader meer inzicht krijgt in zijn eigen rol. De vader lijkt onvoldoende zijn eigen aandeel in de situatie te erkennen en heeft zijn primaire focus gelegd op contactherstel. Het is belangrijk dat de vader gaat inzien dat de kinderen behoefte hebben aan erkenning en deze erkenning ook aan hen kan geven. Hiervoor is onder meer psycho-educatie nodig. Ook hierbij is het van belang dat een jeugdbeschermer hierop toeziet en waar nodig verdere hulpverlening kan inzetten. De kinderrechter acht het verder nodig dat een jeugdbeschermer de regie gaat voeren in de contacten tussen de vader en de kinderen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt nu volledig bij de moeder, maar de kinderrechter is van oordeel dat dit niet van haar kan worden verlangd gelet op haar belaste verleden met de vader. Er zal onderzocht moeten worden of een kindbehartiger de kinderen kan ondersteunen en ook zal gekeken moeten worden of de huidige begeleiding van de vader door mevrouw [naam] (consulent bij [hulpverlening]) wijziging behoeft. De moeder heeft geen vertrouwen in de neutraliteit van mevrouw [naam] en ook de Raad heeft haar bedenkingen geuit. Echter, tijdens het gesprek tussen [minderjarige 2] en de kinderrechter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat zij de videobelmomenten wel leuk vindt als ‘de mevrouw uit [woonplaats] ’ erbij is en zij spelletjes doen. Ook hiervoor zal oog moeten zijn.
De doelen
5.7.
De kinderrechter vindt een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk zodat gewerkt kan worden aan de volgende doelen:
- de kinderen worden niet belast met de pijn en de emoties van hun ouders over elkaar;
- er is zicht op de belevingswereld van de kinderen;
- de kinderen ervaren emotionele veiligheid bij beide ouders, met als eerste stap dat zij gebeurtenissen uit het verleden kunnen verwerken;
- de kinderen hebben een onbelast contact met beide ouders, waarbij de GI de regie heeft over de concrete invulling hiervan en waarbij de (on)mogelijkheden van de kinderen leidend zijn;
- de vader krijgt zicht op het effect van zijn gedrag op de kinderen, als het gaat om conflicten, loyaliteit en veiligheid (bijvoorbeeld door deelname aan psycho-educatie);
- de moeder ondersteunt en werkt mee aan herstel van het contact tussen de vader en de kinderen, waarbij de GI de regie heeft over de concrete invulling van dit proces.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing gelet op de aard daarvan uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevraagd door de vader. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter
6.1.
stelt de minderjarige kinderen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats], en
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats],
onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid Holland met ingang van 30 oktober 2025 tot 30 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van
mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.