Op 3 november 2025 heeft de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een beslissing genomen in de zaak met zaaknummer BRE 24/6877. De inspecteur van de Belastingdienst had op 10 december 2024 een verzoek ingediend om geheimhouding op basis van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met de stelling dat er een dreiging bekend was die de veiligheid van de medewerkers van de Belastingdienst in gevaar zou kunnen brengen. Belanghebbende, een partij uit Duitsland, heeft echter bezwaar gemaakt tegen dit verzoek, stellende dat er geen reëel gevaar voor de integriteit van betrokkenen was en dat anonimiteit haar procespositie zou schaden.
De rechtbank heeft besloten geen mondelinge behandeling te houden, omdat de aard van de geheimhoudingsprocedure dit niet vereiste. De geheimhoudingskamer heeft de argumenten van de inspecteur beoordeeld en geconcludeerd dat de stelling van een dreiging onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank heeft vastgesteld dat het belang van de belastingplichtige om de handelwijze van de inspecteur te kunnen toetsen zwaarder weegt dan de redenen voor geheimhouding die door de inspecteur zijn aangevoerd. Daarom is het verzoek om geheimhouding afgewezen.
De inspecteur is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de beslissing te reageren op de gevolgen van deze uitspraak. De beslissing is openbaar gemaakt en zal aan belanghebbende per post worden verzonden, aangezien deze niet digitaal procedeert. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de hoofdzaak.