ECLI:NL:RBZWB:2025:7541

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
21/1999 WGA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Het UWV heeft terecht de WGA-uitkering onder het risico van de werkgever gebracht

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij een WGA-uitkering aan werkneemster is toegekend en deze uitkering aan eiseres als eigenrisicodrager is toegerekend. Eiseres betwist dat het UWV voldoende onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het dienstverband en of de wachttijd volledig is doorlopen.

De rechtbank overweegt dat werkneemster op het moment van uitval in dienst was bij eiseres en dat de wachttijd voor de WGA-uitkering op dat moment is aangevangen. Hierdoor is het UWV terecht uitgegaan van het risico van eiseres als eigenrisicodrager. Het beroep op de uitzondering van artikel 82, zesde lid, WIA is niet onderbouwd en faalt.

Ook de stelling dat werkneemster mogelijk een IVA-uitkering zou moeten krijgen, wordt verworpen. De rechtbank verwijst naar een gelijktijdige uitspraak waarin is vastgesteld dat de toekenning van een WGA-uitkering correct is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de toerekening van de WGA-uitkering aan haar als eigenrisicodrager wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1999 WGA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,

Procesverloop

1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 april 2021 (bestreden besluit).
1.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Bergen op Zoom op 30 maart 2023, tegelijkertijd met het andere beroep van eiseres met zaaknummer BRE 21/3429 WIA. Hieraan heeft deelgenomen mr. M. Reitsma namens het UWV.
1.3.
De rechtbank heeft met een beslissing van 11 mei 2023 het onderzoek heropend.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op 24 oktober 2025 gesloten.

Overwegingen

2. Het UWV heeft met een besluit van 23 november 2020 aan [werkneemster] (hierna: werkneemster) met ingang van 18 augustus 2020 een WGA-uitkering toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van diezelfde datum is deze uitkering aan eiseres toegerekend. Eiseres heeft tegen laatstgenoemd besluit op 2 december 2020 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3. Eiseres stelt dat het UWV ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de arbeidsongeschiktheid van werkneemster is ontstaan vanuit het dienstverband met haar en of de wachttijd volledig is doorlopen. Ook heeft het UWV nagelaten te onderzoeken of de uitzondering van artikel 82, zesde lid, van de WIA aan de orde is. Verder stelt eiseres dat het mogelijk is dat aan werkneemster in plaats van een WGA-uitkering een IVA-uitkering wordt toegekend. In dat geval wordt de uitkering niet toegekend aan een eigenrisicodrager.
4. De vraag die beantwoord moet worden is of het UWV op goede gronden de aan werkneemster toegekende WGA-uitkering aan eiseres heeft toegerekend.
4.1.
Op grond van artikel 82 van Pro de WIA draagt de eigenrisicodrager het risico van betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde, die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot hem in dienstbetrekking stond.
4.2.
Werkneemster is op 21 augustus 2018 uitgevallen. Zij was toen in dienst bij eiseres. Op dat moment is de wachttijd, die bij de WGA-uitkering van de werkneemster in acht is genomen, aangevangen. Dat betekent dat het UWV terecht de aan werkneemster toegekende rechten op een WGA-uitkering onder het risico van eiseres heeft gebracht. Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 82, zesde lid, van de WIA overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat aan één van de hierin vermelde situaties wordt voldaan. Voor zover eiseres heeft gesteld dat aan werkneemster in plaats van een WGA-uitkering een IVA-uitkering wordt toegekend, in welk geval de uitkering niet wordt toegekend aan een eigenrisicodrager, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraak van heden in de zaak BRE 21/3429 WIA dat terecht aan werkneemster met ingang van 18 augustus 2020 een WGA-uitkering en geen IVA-uitkering is toegekend.

Conclusie

5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 30 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.