ECLI:NL:RBZWB:2025:7572

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
430899 / HA ZA 25-21 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van een achtergestelde lening en uitleg van het begrip 'groep' in de achterstellingsakte

In deze civiele zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen twee besloten vennootschappen, aangeduid als [b.v. 1] en [b.v. 2]. [b.v. 1] vorderde betaling van een bedrag van € 700.000,00 op basis van een geldleningsovereenkomst, die was achtergesteld bij een kredietovereenkomst met Rabobank. De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip 'groep' in de achterstellingsakte, waarbij [b.v. 1] stelde dat de EBITDA van de gehele groep, waartoe ook andere vennootschappen behoren, bepalend was voor de vraag of de lening opeisbaar was. [b.v. 2] betwistte deze uitleg en stelde dat alleen de vennootschappen [b.v. 2] en [b.v. 3] als groep moesten worden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat [b.v. 1] niet had aangetoond dat de EBITDA van de groep hoger was dan € 1.200.000,00, en dat de vordering van [b.v. 1] daarom niet opeisbaar was. De rechtbank wees de vorderingen van [b.v. 1] af en veroordeelde haar in de proceskosten. In het incident vorderde [b.v. 1] om jaarrekeningen van [b.v. 2] en andere vennootschappen te verstrekken, maar ook deze vordering werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/430899 / HA ZA 25-41
Vonnis in hoofdzaak en incident van 5 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[b.v. 1],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident ex art. 194 e.v. Rv,
hierna te noemen: [b.v. 1] ,
advocaat: mr. F.J. Laagland,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[b.v. 2],
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verweerster in het incident ex art. 194 e.v. Rv,
hierna te noemen: [b.v. 2] ,
advocaat: mr. T.M. Schraven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 maart 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte aanvullende producties 29 tot en met 38 tevens incidentele conclusie van [b.v. 1] ,
- de akte overlegging productie 11 van [b.v. 2] ,
- de conclusie van antwoord in het incident met productie 12 van [b.v. 2] ,
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn
gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. F.J. Laagland en mr. T.M. Schraven, zoals deze zijn
overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[b.v. 1] was enig aandeelhouder van [b.v. 3] (hierna: [b.v. 3] ). [b.v. 3] is een groothandel in audio- en videoapparatuur.
2.2.
In 2019 hebben partijen onderhandeld over de koop van de aandelen in [b.v. 3] door [b.v. 2] . Voorafgaand aan die onderhandelingen heeft [b.v. 1] een ‘Informatie Memorandum [b.v. 3] ’ van 14 februari 2019 met [b.v. 2] gedeeld (hierna: het Informatie Memorandum). In het Informatie Memorandum is op basis van de geconsolideerde resultatenrekening van [b.v. 3] en [b.v. 1] een (genormaliseerde) prognose van EBITDA voor 2019 opgenomen van (afgerond) € 1.300.000,00 en voor 2020 van (afgerond)
€ 1.600.000,00.
2.3.
In juli 2019 heeft [b.v. 1] financiële informatie van [b.v. 3] vertrekt aan [b.v. 2] in verband met een door [b.v. 2] uit te voeren due diligence onderzoek.
2.4.
Op 20 augustus 2019 hebben partijen een koopovereenkomst ondertekend, waarbij [b.v. 1] al haar aandelen in [b.v. 3] heeft verkocht aan [b.v. 2] voor een bedrag van
€ 1.300.000,00. Diezelfde dag zijn de aandelen notarieel geleverd aan [b.v. 2] en heeft [b.v. 2] het eerste deel van de koopprijs van € 600.000,00 aan [b.v. 1] voldaan. Partijen zijn overeengekomen dat het resterende deel van de koopprijs een achtergestelde verkoperslening is. Daartoe hebben partijen een geldleningsovereenkomst gesloten, die ook op 20 augustus 2019 door hen is ondertekend. De geldleningsovereenkomst maakt integraal onderdeel uit van de koopovereenkomst.
2.5.
In de geldleningsovereenkomst is opgenomen dat [b.v. 1] een bedrag van € 700.000,00 ter leen heeft verstrekt aan [b.v. 2] en dat aflossing van dit bedrag zal plaatsvinden in twee termijnen. De eerste termijn van € 400.000,00 moet worden afgelost uiterlijk 19 mei 2020. De tweede termijn van € 300.000,00 moet worden afgelost uiterlijk 19 mei 2021. Verder is in de overeenkomst opgenomen dat over het uitstaande deel van de lening een rente van 4% per jaar is verschuldigd, ingaande op 1 mei 2020 respectievelijk 1 mei 2021, en dat de lening is achtergesteld bij Rabobank, bij partijen genoegzaam bekend.
2.6.
Vereenvoudigd ziet dit er schematisch als volgt uit:
[afbeelding verwijderd i.v.m. anonimisering]
2.7.
Voorafgaand aan het sluiten van voornoemde koopovereenkomst en geldleningsovereenkomst is op naam van [b.v. 2] en [b.v. 3] een zakelijk krediet aangevraagd bij Rabobank om een deel van de koopprijs voor de aandelen in [b.v. 3] en om werkkapitaal van [b.v. 3] te kunnen financieren. In dat kader heeft – onder meer – op 20 juni 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen [b.v. 2] en Rabobank, waarbij [b.v. 2] het Informatie Memorandum aan Rabobank heeft overhandigd.
2.8.
Rabobank heeft aan het verstrekken van het zakelijk krediet de voorwaarde gesteld dat de voorgenomen verkoperslening van [b.v. 1] aan [b.v. 2] wordt achtergesteld bij de aan [b.v. 2] en [b.v. 3] te verstrekken financiering. In verband daarmee is op 19 augustus 2019 (de aanvankelijk overeengekomen dag van eigendomsoverdracht van de aandelen in [b.v. 3] aan [b.v. 2] ) aan [b.v. 1] een concept achterstellingsakte voorgelegd. Daarop is – onder meer – bij
e-mail van 20 augustus 2019 namens [b.v. 1] gereageerd. Uiteindelijk hebben de gesprekken tussen [b.v. 2] , Rabobank en [b.v. 1] geresulteerd in een definitieve versie van de achterstellingsakte en een side letter van Rabobank van 20 augustus 2019.
2.9.
Op 20 augustus 2019, de dag van de aandelenoverdracht, hebben [b.v. 1] , [b.v. 2] , [b.v. 3] en Rabobank de achterstellingsakte ondertekend. [b.v. 2] , [b.v. 3] en Rabobank hebben daarnaast een overeenkomst zakelijke financiering ondertekend (hierna: de kredietovereenkomst), op grond waarvan Rabobank een krediet in rekening-courant heeft verstrekt aan [b.v. 2] en [b.v. 3] van maximaal € 3.000.000,00.
2.10.
De achterstellingsakte, waarbij [b.v. 1] wordt aangeduid als ‘de crediteur’ en [b.v. 3] en [b.v. 2] als ‘ de debiteur’ luidt – voor zover van belang – als volgt:
Welke vordering stelt de crediteur achter?
De crediteur heeft of krijgt een vordering op de debiteur op basis van een lening van € 700.000 aan de debiteur. De lening is vastgelegd in de akte van 19 augustus 2019. De crediteur stelt deze vordering in verband met de lening hierbij achter op alles wat de debiteur nu of in de toekomst aan ons moet betalen. Dit kunnen schulden zijn in verband met een financiering, maar ook schulden in verband met andere overeenkomsten tussen ons en de debiteur.
(…).
Wat houdt de achterstelling in?
De debiteur mag de achtergestelde vordering en de rente niet aan de crediteur (terug)betalen. De debiteur mag ook niet:
(…)
Wat geldt voor de rente en aflossing voor de achtergestelde vordering?
Heeft u met elkaar afgesproken dat de debiteur (periodiek) rente en aflossing aan de crediteur moet betalen voor de achtergestelde vordering? Dan geven wij de debiteur toestemming om dit te doen. Deze toestemming geldt zolang:
De (geconsolideerde) EBITDA van de groep waar de debiteur deel van uitmaakt hoger is dan
€ 1.200.000.
Met EBITDA bedoelen wij:
het (geconsolideerde) bedrijfsresultaat vóór rente, afschrijvingen, belastingen (exclusief dividendbelasting) en bijzondere baten/lasten.
Deze toestemming geldt alleen zolang de debiteur al zijn verplichtingen aan ons nakomt. (…)”..
De side letter vermeldt een gelijkluidende afspraak tussen Rabobank en [b.v. 1] .
2.11.
Op 13 maart 2020 hebben [b.v. 1] en [b.v. 2] ter beëindiging van een tussen hen bestaand geschil een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn bij deze overeenkomst overeengekomen dat [b.v. 2] een bedrag van € 100.000,00 zal voldoen aan [b.v. 1] en dat de geldleningsovereenkomst zal worden gewijzigd in die zin, dat de datum van aflossing van de eerste termijn van € 400.000,00 wordt verschoven naar uiterlijk 19 mei 2021, dat de datum van aflossing van de tweede termijn van € 300.000,00 wordt verschoven naar 19 mei 2022 en dat de verschuldigde rente zal worden voldaan op 1 mei 2020, 1 mei 2021 en 1 mei 2022.
2.12.
Op 8 mei 2020 heeft [b.v. 1] tegenover [b.v. 2] aanspraak gemaakt op betaling van de contractuele rente op grond van de geldleningsovereenkomst. [b.v. 2] heeft daarop een bedrag aan [b.v. 1] betaald. Dit bedrag heeft [b.v. 1] op een later moment weer terugbetaald aan [b.v. 2] , nadat Rabobank [b.v. 1] te kennen had gegeven dat zij geen toestemming verleent voor een rentebetaling door [b.v. 2] aan [b.v. 1] .
2.13.
Op 21 oktober 2021 hebben Rabobank enerzijds en [b.v. 2] en [b.v. 3] anderzijds overeenstemming bereikt over aanpassing van de financiering aan [b.v. 2] en [b.v. 3] .
2.14.
Tussen 2021 en 2024 hebben partijen meerdere malen met elkaar gecorrespondeerd over de verplichting van [b.v. 2] tot voldoening van de achtergestelde geldlening inclusief rente aan [b.v. 1] , omdat – zo meent [b.v. 1] – de EBITDA van de groep waartoe [b.v. 3] en [b.v. 2] behoren al meerdere jaren meer bedraagt dan € 1.200.000,00. [b.v. 2] betwist dat. Tussen partijen is een geschil ontstaan over het antwoord op de vraag hoe het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte moet worden uitgelegd.
2.15.
Bij brief van 21 maart 2024 heeft [b.v. 1] [b.v. 2] gesommeerd uiterlijk 31 maart 2024 een bedrag van € 700.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% per jaar te voldoen op de derdengeldrekening van haar advocaat. [b.v. 2] heeft [b.v. 1] te kennen gegeven dat zij aan de sommatie tot betaling niet zal voldoen.

3.Het geschil

in de hoofdzaak
3.1.
[b.v. 1] vordert, samengevat:
I. een verklaring voor recht dat het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte betrekking
heeft op de gehele groep waartoe [b.v. 3] en [b.v. 2] behoren,
II. een veroordeling van [b.v. 2] tot betaling van € 700.000,00 aan [b.v. 1] op grond van de
geldleningsovereenkomst,
III. een veroordeling van [b.v. 2] tot betaling van primair de contractuele rente van 4% en
subsidiair de wettelijke rente vanaf primair 19 mei 2021 over € 400.000,00 en vanaf
19 mei 2022 over € 300.000,00 en subsidiair vanaf de dag van dagvaarden,
IV. een veroordeling van [b.v. 2] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van
€ 5.275,00, vermeerderd met de wettelijke rente,
V. een veroordeling van [b.v. 2] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.
3.2.
[b.v. 1] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
[b.v. 2] , [b.v. 3] en de vennootschappen [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] vormen samen een groep, waarin de zeggenschap feitelijk ligt bij de heren [persoon 1] en [persoon 2] . Uit de jaarstukken van deze groep vennootschappen volgt dat de EBITDA van de groep al jaren boven de € 1.200.000,00 uitkomt. Rabobank geeft in een dergelijk geval toestemming aan [b.v. 2] voor het betalen van rente en aflossing aan [b.v. 1] voor haar achtergestelde vordering uit de geldleningsovereenkomst. [b.v. 2] verkeert dus al jaren in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de (aangepaste) geldleningsovereenkomst. [b.v. 1] heeft op grond van de geldleningsovereenkomst opeisbaar van [b.v. 2] te vorderen een bedrag van € 700.000,00, vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar. Daarnaast kan [b.v. 1] tegenover [b.v. 2] aanspraak maken op vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten.
3.3.
[b.v. 2] voert verweer. [b.v. 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [b.v. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [b.v. 1] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.
in het incident
3.5.
[b.v. 1] vordert, samengevat, [b.v. 2] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te gebieden primair de jaarrekeningen 2020 tot en met 2024 van [b.v. 2] , [b.v. 3] en de vennootschappen [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] aan [b.v. 1] te verstrekken dan wel subsidiair de jaarrekeningen 2020 tot en met 2024 van [b.v. 2] en [b.v. 3] aan [b.v. 1] te verstrekken, met veroordeling van [b.v. 2] in de kosten van het incident.
3.6.
[b.v. 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat aan de hand van de stukken zowel per entiteit als per groep kan worden berekend wat de EBITDA is vanaf de periode na overname van de aandelen in [b.v. 3] door [b.v. 2] tot en met heden.
3.7.
[b.v. 2] voert verweer. [b.v. 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [b.v. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [b.v. 1] in de kosten van het incident.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak
4.1.
[b.v. 1] maakt aanspraak op betaling van haar vordering op grond van de geldleningsovereenkomst tussen partijen. Kern van de discussie tussen partijen ziet op de vraag of deze vordering opeisbaar is. Dit omdat deze vordering is achtergesteld bij wat Rabobank van [b.v. 2] en [b.v. 3] te vorderen heeft op grond van de kredietovereenkomst.
4.2.
[b.v. 1] meent dat haar vordering opeisbaar is, omdat – zo stelt [b.v. 1] – de EBITDA van de groep vennootschappen waartoe [b.v. 2] en [b.v. 3] behoren al jaren boven de
€ 1.200.000,00 uitkomt. [b.v. 2] meent dat [b.v. 1] ten onrechte ervan uitgaat dat met het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte meer vennootschappen zijn bedoeld dan [b.v. 2] en [b.v. 3] . [b.v. 2] stelt dat zij samen met [b.v. 3] de ‘groep’ vormt waarover in de achterstellingsakte wordt gesproken en dat de EBITDA van deze groep niet boven de € 1.200.000,00 uitkomt. Aan het in de achterstellingsakte opgenomen toestemmingsvereiste voor de betaling van rente en aflossing aan [b.v. 1] wordt daarom niet voldaan. De vordering van [b.v. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst is daarom niet opeisbaar, aldus [b.v. 2] .
4.3.
Voor beantwoording van de vraag of [b.v. 1] een opeisbare vordering heeft op [b.v. 2] op grond van de geldleningsovereenkomst is allereerst van belang wat de achterstellingsakte bepaalt ten aanzien van de toestemming voor het betalen van rente en aflossing voor de achtergestelde vordering (de vordering van [b.v. 1] op [b.v. 2] en [b.v. 3] ). In de geldleningsovereenkomst is het volgende opgenomen (zoals ook onder 2.10 vermeld):
“Deze toestemming geldt zolang:
De (geconsolideerde) EBITDA van de groep waar de debiteur deel van uitmaakt hoger is dan € 1.200.000”.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip ‘groep’. De achterstellingsakte bevat geen definitie of nadere omschrijving van het begrip. Deze zal daarom aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf moeten worden uitgelegd. Het komt daarbij in het bijzonder aan op de vraag of de uitleg van [b.v. 1] van het begrip ‘groep’ gevolgd moet worden, nu [b.v. 1] haar uitleg van dat begrip ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen.
4.4.
Bij de uitleg van de betekenis die in de achterstellingsakte toekomt aan het begrip ‘groep’ volgens de Haviltex-maatstaf, komt het aan op de betekenis die partijen bij die overeenkomst in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
4.5.
[b.v. 1] stelt hierover dat [b.v. 2] , naast [b.v. 4] , voor 50% deel uitmaakt van een concern, waarbij [b.v. 5] (waarvan de heer [persoon 1] 100% aandeelhouder is) aan de top staat. En ook dat [b.v. 2] voor 50% deel uitmaakt van een concern, waarbij [b.v. 6] (waarvan de heer [persoon 2] voor 100% aandeelhouder is) aan de top staat. Na de aandelenoverdracht aan [b.v. 2] is ook [b.v. 3] onderdeel gaan uitmaken van deze groep vennootschappen. Volgens [b.v. 1] brengt een redelijke uitleg van het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte dan ook met zich dat de (geconsolideerde) EBITDA van deze groep bepalend is voor de vraag of [b.v. 2] mag overgaan tot het betalen van rente en aflossing aan [b.v. 1] . Dat dit een redelijke uitleg van het begrip ‘groep’ is, volgt ook uit de omstandigheid dat de EBITDA van [b.v. 3] in de jaren voorafgaand aan de aandelenoverdracht nooit hoger is geweest dan (afgerond) € 550.000,00. [b.v. 2] was hiermee bekend, omdat [b.v. 1] financiële informatie waaruit dit volgt met [b.v. 2] heeft gedeeld in verband met een door [b.v. 2] uit te voeren due diligence onderzoek. Partijen mochten in redelijkheid dan ook niet verwachten dat [b.v. 3] ooit een EBITDA van meer dan € 1.200.000,00 zou behalen en dat met het begrip ‘groep’ alleen [b.v. 2] en [b.v. 3] worden bedoeld. Van belang is ook dat de achterstellingsakte onder hoge druk is ondertekend. Op de dag dat de aandelen zouden worden geleverd, werden ineens de voorwaarden van Rabobank met betrekking tot de achterstelling aan [b.v. 1] voorgelegd. Er is daarna niet of nauwelijks onderhandeld over die voorwaarden. Bovendien zijn partijen bijgestaan door professionele partijen, zodat een grotere betekenis moet worden toegekend aan de letterlijke tekst van de achterstellingsakte. Dat met het begrip ‘groep’ de gehele groep vennootschappen wordt bedoeld zoals hiervoor genoemd, vindt ook bevestiging in artikel 2:24b BW en in de op de achterstellingsakte toepasselijke algemene voorwaarden van Rabobank, waarin een met voornoemd wetsartikel vergelijkbare omschrijving van de term ‘groep’ is opgenomen. Tot slot geldt nog dat de achterstellingsakte vermeldt dat het gaat om de
“EBITDA van de groep waar de debiteur deel van uitmaakt”en dat in de akte [b.v. 2] en [b.v. 3] worden aangeduid als ‘de debiteur’. Met andere woorden, de ‘groep’ omvat meer vennootschappen dan alleen de debiteur, zijnde [b.v. 2] en [b.v. 3] . Het betreft alle hiervoor genoemde vennootschappen, aldus [b.v. 1] .
4.6.
De rechtbank volgt [b.v. 1] hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat de meest voor de hand liggende uitleg van het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte, de uitleg is die door [b.v. 2] wordt verdedigd, en dus dat partijen bij die akte hebben beoogd met het begrip ‘groep’ te omvatten de debiteuren bij de kredietovereenkomst. Dat zijn [b.v. 2] en [b.v. 3] . De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
4.7.
Uit de stukken in het dossier volgt het door [b.v. 2] in de conclusie van antwoord geschetste schema.
[afbeelding verwijderd i.v.m. anonimisering]
4.8.
Artikel 2:24b BW definieert een groep als een economische eenheid, waarin rechtspersonen en/of vennootschappen organisatorisch met elkaar zijn verbonden. Een en ander brengt met zich dat om van een groep te kunnen spreken, er sprake moet zijn van een economische eenheid, van organisatorische verbondenheid (dat wil zeggen dat er integratie in de groepsorganisatie heeft plaatsgevonden) en van een centrale leiding (dus een hiërarchische organisatiestructuur op grond waarvan een gemeenschappelijke strategie wordt gevoerd). Dat [b.v. 2] , [b.v. 3] , [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] op deze manier functioneren en met elkaar zijn verbonden, heeft [b.v. 2] gemotiveerd betwist en is door [b.v. 1] onvoldoende onderbouwd. Niet langer is tussen partijen in geschil dat de door [b.v. 1] genoemde vennootschappen overeenkomstig het hierboven weergegeven schema tot elkaar staan. Dat er sprake zou zijn van consolidatie van de resultaten van [b.v. 2] in de jaarrekeningen van [b.v. 6] en/of [b.v. 5] , en van consolidatie van de jaarrekeningen van [b.v. 2] en/of [b.v. 3] in [b.v. 6] en/of [b.v. 5] wordt door [b.v. 2] betwist en blijkt niet uit de stukken. Uit bovenstaand schema volgt ook dat niet van een centrale leiding, als bedoeld in de wet, kan worden gesproken. Niet kan worden aangenomen dat genoemde vennootschappen een groep zijn als bedoeld in de wet en de toepasselijke algemene voorwaarden van Rabobank.
4.9.
Dat partijen hebben beoogd het begrip ‘groep’ breder uit te leggen in die zin, dat daarmee, naast [b.v. 2] en [b.v. 3] , ook [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] zijn bedoeld, acht de rechtbank niet aannemelijk op grond van het volgende.
4.10.
Vooropgesteld wordt dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de kredietovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de achterstellingsakte. Met de achterstellingsakte heeft Rabobank beoogd meer zekerheid te verkrijgen dat [b.v. 2] en [b.v. 3] hun betalingsverplichtingen uit de kredietovereenkomst nakomen en dat [b.v. 1] niet vóór Rabobank wordt betaald. [b.v. 2] heeft door het overleggen van correspondentie, meer in het bijzonder de e-mail van 11 juli 2019 [1] , voldoende onderbouwd dat Rabobank de achterstelling wilde koppelen aan de geprognotiseerde resultaten van [b.v. 3] uit het Informatie Memorandum om liquiditeitskrapte in de onderneming van [b.v. 3] te voorkomen. Op 20 augustus 2019 hebben partijen en hun gemachtigden gecorrespondeerd over de inhoud van de achterstellingsakte [2] . Uit die correspondentie volgt dat Rabobank aan de betaling van rente en aflossing aan [b.v. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst de voorwaarde wilde verbinden dat:
“(i) [b.v. 2] niet in verzuim is jegens Rabobank ten aanzien van de verplichtingen voortvloeiende uit de Kredietovereenkomst en (ii) de (geconsolideerde) EBITDA van de groep waar [b.v. 2] deel van uitmaakt hoger is dan EUR 1.200.000”.Verder kan uit de correspondentie worden afgeleid dat Rabobank de bevoegdheid wilde behouden om de drempel te verhogen in een geval:
“waarbij een nieuwe financiering aangegaan wordt voor bijvoorbeeld een overname van een gelijksoortig bedrijf. Vanzelfsprekend dient in een dergelijk geval het EBITDA van de onderneming voldoende te zijn om zowel de huidige, als de nieuwe lasten te kunnen dragen”.Over andere entiteiten dan [b.v. 2] en haar (toekomstige) dochter(s) wordt door Rabobank en partijen niet gesproken. Als ook de EBITDA-cijfers van [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] bepalend hadden moeten zijn voor het antwoord op de vraag of de drempel van € 1.200.000,00 is gehaald, dan mocht worden verwacht dat deze vennootschappen expliciet in de achterstellingsakte zouden worden genoemd. Dat is niet het geval. In de overgelegde stukken bevinden zich geen aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen kan worden dat [b.v. 1] redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat met het begrip ‘groep’ in de achterstellingsakte meer vennootschappen zijn bedoeld dan [b.v. 2] en haar dochter [b.v. 3] . Dat, zoals [b.v. 1] aanvoert, in de achterstellingsakte [b.v. 2] en [b.v. 3] worden aangeduid als ‘de debiteur’, maakt dat niet anders. In de akte is immers ook opgenomen:
“Zijn er meer debiteuren, dan bedoelen wij met debiteur zowel alle debiteuren samen als iedere aparte debiteur”.Dit strookt met de bedoeling van Rabobank om als uitgangspunt te nemen de EBITDA van op dit moment alleen [b.v. 2] en [b.v. 3] en wellicht later inclusief dochters die ook tot deze groep zijn gaan behoren. Ook in het verder door [b.v. 1] gestelde worden geen doorslaggevende aanknopingspunten gevonden voor de door haar voorgestane uitleg.
Nu het standpunt van [b.v. 1] op grond van bovenstaande al niet wordt gevolgd, zal de rechtbank niet ingaan op de door [b.v. 2] gestelde omstandigheden van onder andere ná het sluiten van de achterstellingsakte.
4.11.
De conclusie is dat [b.v. 1] naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs mocht verwachten dat voldoening van rente en aflossing onder de geldleningsovereenkomst door Rabobank is toegestaan als de (geconsolideerde) EBITDA van [b.v. 2] en [b.v. 3] hoger is dan € 1.200.000,00.
4.12.
[b.v. 2] heeft betwist dat de EBITDA van haar en [b.v. 3] hoger is dan
€ 1.200.000,00. Ter zitting is niet weersproken dat [b.v. 1] van alle jaren na de aandelenoverdracht tot 2024 (van dat jaar zijn de cijfers nog niet beschikbaar) de geconsolideerde jaarrekening van [b.v. 2] heeft ontvangen. Het had dan ook op de weg van [b.v. 1] , op wie de stelplicht rust, gelegen om haar stelling dat de EBITDA van [b.v. 2] en [b.v. 3] hoger is dan € 1.200.000,00 te onderbouwen. [b.v. 1] heeft dat nagelaten. Daarmee heeft [b.v. 1] niet voldaan aan haar stelplicht. Aan bewijslevering op dit punt wordt daarom niet toegekomen. Dit brengt met zich dat niet kan worden aangenomen dat [b.v. 1] een opeisbare vordering heeft op [b.v. 2] op grond van de geldleningsovereenkomst.
4.13.
Voorgaande brengt met zich dat de vorderingen van [b.v. 1] worden afgewezen.
4.14.
[b.v. 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [b.v. 2] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.043,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in het incident
4.16.
In de hoofdzaak is niet komen vast te staan dat [b.v. 2] , [b.v. 3] , [b.v. 4] , [b.v. 5] en [b.v. 6] de groep vormen, waarover in de achterstellingsakte wordt gesproken. Niet weersproken is dat [b.v. 1] reeds over de geconsolideerde jaarrekeningen van [b.v. 2] over de jaren na de aandelenoverdracht tot 2024 beschikt. De geconsolideerde jaarrekening over het jaar 2024 is nog niet beschikbaar, maar ter zitting is namens [b.v. 2] toegezegd dat deze te zijner tijd aan [b.v. 1] zal worden verstrekt. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat [b.v. 1] geen belang heeft bij de vordering in het incident. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
4.17.
[b.v. 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van het incident betalen. Deze kosten van [b.v. 2] worden begroot op:
- salaris advocaat € 3.502,00 (1 punt x € 3.502,00)
4.18.
De verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
5.1.
wijst de vorderingen van [b.v. 1] af,
5.2.
veroordeelt [b.v. 1] in de proceskosten van € 14.043,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [b.v. 1] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [b.v. 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
in het incident
5.5.
wijst de vordering van [b.v. 1] af,
5.6.
veroordeelt [b.v. 1] in de proceskosten van € 3.502,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door M.Z.B. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.

Voetnoten

1.productie 2 bij conclusie van antwoord
2.productie 15 bij dagvaarding